Home

Hoge Raad, 12-03-2010, BL7165, 08/04868

Hoge Raad, 12-03-2010, BL7165, 08/04868

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 maart 2010
Datum publicatie
12 maart 2010
ECLI
ECLI:NL:HR:2010:BL7165
Formele relaties
Zaaknummer
08/04868

Inhoudsindicatie

Artikel 16 AWR. Nieuw feit? Onderzoeksplicht inspecteur in geval in aangifte geclaimde lijfrente-aftrek afwijkt van renseignement verzekeraar.

Uitspraak

Nr. 08/04868

12 maart 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 oktober 2008, nr. 07/00461, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De navorderingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/2902) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, en de uitspraak van de Inspecteur, de navorderingsaanslag alsmede de boetebeschikking vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende bezat twee verzekeringspolissen, waarvan de ene (een zuivere lijfrentepolis; hierna: de eerste polis) onder de Wet IB 2001 nog tot aftrek leidde, en de andere (een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule; hierna: de tweede polis) niet, omdat deze niet was aangepast aan de voor aftrek gestelde eisen in de Wet IB 2001. De premiebetaling inzake de eerste polis (€ 1.361,40) was door de verzekeraar aan de Belastingdienst gerenseigneerd. Inzake de tweede polis (premie € 1.942,18) ontbrak een renseignement.

3.1.2. Bij zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 heeft belanghebbende het totaal van de premies van beide polissen (afgerond op € 3.303) in aftrek gebracht. De aanslag voor het jaar 2002 is zonder nader onderzoek overeenkomstig de aangifte vastgesteld.

3.1.3. Naar aanleiding van de aangifte voor het jaar 2003 heeft de Inspecteur een onderzoek ingesteld naar de aftrekbaarheid van de lijfrentepremies. Daarbij bleek dat de verzekeringsvoorwaarden van de tweede polis niet waren aangepast aan de eisen die in de Wet IB 2001 aan aftrek worden gesteld. De Inspecteur heeft vervolgens een navorderingsaanslag over het jaar 2002 opgelegd, alsmede een vergrijpboete van 25 percent.

3.1.4. De Inspecteur heeft gesteld dat het ontbreken van een renseignement niet behoefde te betekenen dat de aftrek bij de aangifte voor het jaar 2002 ten onrechte plaatsvond. De renseignering van aftrekbare lijfrentepremies door de verzekeraars was ten tijde van het vaststellen van belanghebbendes primitieve aanslag verre van volledig, en ook bestond er op grond van een goedkeuring van de Staatssecretaris van Financiën tot 31 december 2002 de mogelijkheid om de tweede polis alsnog aan te passen aan de nieuwe eisen, aldus de Inspecteur.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur beschikte over een voor navordering vereist nieuw feit. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur, indien hij de aanslag (HR: lees: aangifte) met normale zorgvuldigheid had bestudeerd, in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de daarin opgenomen gegevens, nu een groter bedrag aan premies van lijfrenten was afgetrokken dan als aftrekbaar was gerenseigneerd. De Inspecteur had niet mogen aannemen dat één van de door hem veronderstelde verklaringen voor dat verschil de juiste verklaring was, aldus het Hof. Er is daarom naar het oordeel van het Hof sprake van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat. Tegen dit oordeel richt zich het middel.

3.3.1. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (zie onder meer HR 9 januari 2009, nr. 07/10292, LJN BG9068, BNB 2009/64).

3.3.2. Bij kennisneming met normale zorgvuldigheid van belanghebbendes aangifte zou de Inspecteur bemerkt hebben dat voor slechts een gedeelte van de afgetrokken lijfrentepremies een renseignement van een verzekeraar voorhanden was. Dat enkele feit zou voor de Inspecteur echter nog geen reden behoeven te zijn geweest om aan de juistheid van de in het aangiftebiljet opgenomen aftrekpost in redelijkheid te twijfelen, indien er voor het ontbreken van een zodanig renseignement ook een andere, niet onwaarschijnlijke verklaring mogelijk was. Dit laatste is, naar in cassatie moet worden aangenomen, het geval. De Inspecteur heeft immers gesteld dat de renseignering van aftrekbare lijfrentepremies door de verzekeraars ten tijde van het vaststellen van belanghebbendes primitieve aanslag verre van volledig was; belanghebbende heeft daartegenover slechts gesteld dat de renseignementen betrouwbaar waren, en heeft de stelling van de Inspecteur met betrekking tot de onvolledigheid van de renseignering niet weersproken.

Ook overigens blijkt uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet van enige omstandigheid die aanleiding had moeten geven tot zodanige twijfel aan de juistheid van de aangifte, dat er aanleiding bestond tot afwijking van het uitgangspunt dat de Inspecteur mocht afgaan op de juistheid van de door belanghebbende verstrekte gegevens.

3.3.3. Het Hof heeft het vorenstaande miskend. Het middel slaagt in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de behandeling van belanghebbendes grieven tegen de opgelegde boete.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2010.