Home

Hoge Raad, 01-03-2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4018, 11/02952

Hoge Raad, 01-03-2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4018, 11/02952

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 maart 2013
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BX4018
Zaaknummer
11/02952

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Artikel 3.92 Wet IB 2001. Toepassing van het Belastingverdrag Nederland – België 1970 op een afwaardering van een vordering van een aandeelhouder op zijn BV. TBS. Beroep op Schumacker-doctrine faalt.

Uitspraak

1 maart 2013

Nr. 11/02952

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, België (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 juni 2011, nr. BK-10/00195, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 3.151, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

1. Het geding in feitelijke instanties

De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van belanghebbende voor het jaar 2001, het bedrag van het verlies uit werk en woning van dat jaar bij beschikking vastgesteld. De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 08/6827 IB/PVV) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 21 juni 2012 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende woont sinds 1995 in België. Hij is enig aandeelhouder van A Beheer B.V. (hierna: Beheer BV). Op 31 december 2001 had belanghebbende vorderingen op Beheer BV van in totaal € 5.785.697 (hierna: de vordering).

3.1.2. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 heeft belanghebbende ter zake van de vordering een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven van € 244.628 negatief, waarin onder meer een afwaardering van de vordering was begrepen ter grootte van € 726.048.

3.1.3. De Inspecteur heeft het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden niet geaccepteerd en het verlies uit werk en woning vastgesteld op nihil.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het belanghebbende niet vrij stond de vordering op Beheer BV af te waarderen met € 726.048. Het Hof is daarom niet toegekomen aan een oordeel over de toepassing van het Belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970 (hierna: het Verdrag) ter zake.

3.3.1. De klachten voeren onder meer aan dat het Hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de verdragsrechtelijke aspecten.

3.3.2. De Hoge Raad overweegt dienaangaande als volgt. Ingevolge artikel 13, § 4, van het Verdrag zijn voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere goederen dan die bedoeld in artikel 13, § 1, § 2, en § 3, van het Verdrag slechts belastbaar in de Staat waarvan de vervreemder inwoner is. De vraag rijst of de afwaardering van een schuldvordering kan worden beschouwd als een 'vervreemding' voor de toepassing van artikel 13, § 4, van het Verdrag. Artikel 13, § 4, is in het Verdrag opgenomen naar het model van artikel 13, § 5, (tot 2003: § 4) van het OESO-modelverdrag en uit het officiële commentaar bij artikel 13 van het OESO-modelverdrag moet worden afgeleid dat niet beoogd is om door het bezigen van de term 'gains from the alienation of any property' uit te sluiten dat een staat - met een soortgelijk gevolg voor de verdeling van de heffingsrechten tussen de verdragsstaten - voor de heffing van vermogenswinst aanknoopt bij een geconstateerde vermogensaanwas die niet door vervreemding tot uitdrukking is gekomen (Hoge Raad 20 februari 2009, nr. 42701, LJN AZ2232, BNB 2009/260). Voornoemde vraag moet derhalve in bevestigende zin worden beantwoord, hetgeen tot gevolg heeft dat het heffingsrecht over de afwaardering van de vordering op grond van het Verdrag aan België is toegewezen.

3.3.3. Voor zover de klachten een beroep doen op de zogenoemde Schumacker-doctrine als bedoeld in arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, faalt dit beroep, reeds op de grond dat in het onderhavige geval geen sprake is van het weigeren van een belastingvoordeel dat in algemene zin verband houdt met de fiscale draagkracht.

3.4. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.2 en 3.3.3 is overwogen, falen de klachten in zoverre. De klachten voor het overige behoeven derhalve geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, C.H.W.M. Sterk, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2013.