Home

Hoge Raad, 10-01-2014, ECLI:NL:HR:2014:5, 12/03367

Hoge Raad, 10-01-2014, ECLI:NL:HR:2014:5, 12/03367

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 januari 2014
Datum publicatie
10 januari 2014
ECLI
ECLI:NL:HR:2014:5
Formele relaties
Zaaknummer
12/03367

Inhoudsindicatie

Artikel 9 juncto artikel 52 Wet BRV. Artikel 15, lid 1, letter i, Wet BRV. Voorbehoud van recht van gebruik en bewoning m.b.t. een woning, onder vestiging van een recht van (mede)gebruik voor de blote eigenaar en diens echtgenote. Waardebepaling van de verkrijging. Invloed van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter i, Wet BRV.

Uitspraak

10 januari 2014

nr. 12/03367

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 mei 2012, nr. 10/00286, betreffende een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.

1 Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging van een onroerende zaak een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd, alsmede een boete. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht. De naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te Arnhem (nr. 09/2408) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd, de beschikking heffingsrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, behoudens de beslissingen omtrent de boete, de proceskosten en het griffierecht, de uitspraak van de Inspecteur betreffende de naheffingsaanslag en heffingsrente vernietigd en de naheffingsaanslag en de heffingsrente verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 20 juni 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principale beroep en van het incidentele beroep.

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1.1.

Belanghebbende heeft van zijn moeder [A] (hierna: de moeder) de onroerende zaak gelegen aan [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) verkregen voor een koopsom van € 258.100 (hierna: de verkrijging).

3.1.2.

Voorafgaand aan de verkrijging heeft belanghebbende verbeteringen aangebracht aan de woning.

3.1.3.

In de akte van levering van 13 juli 2007 is onder meer het volgende opgenomen:

“Artikel 10

Eveneens ter uitvoering van hetgeen verder nog tussen partijen is overeengekomen (…) worden bij deze op het registergoed ten behoeve van verkoper gevestigd het recht van gebruik en het recht van bewoning van het registergoed op de voet van artikel 226 Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, welke rechten verkoper aanvaardt.

De rechten strekken tot gebruik en bewoning van het gehele registergoed, in dier voege dat verkoper het alleenrecht van gebruik wordt verleend van de thans door haar gebruikte slaapkamer en het recht van medegebruik van het restant van het registergoed, met uitzondering van de slaapkamer van koper en diens echtgenote (ten aanzien waarvan het recht van gebruik alleen zal toekomen aan koper en diens echtgenote).

(…)

Artikel 12

De verschenen persoon (...) verklaarde een beroep te doen op de vrijstelling van de heffing van overdrachtsbelasting op grond van het bepaalde in artikel 15, lid 1 aanhef en onder i van de Wet op belastingen van rechtsverkeer voor een bedrag van (...) (€ 24.265,00), aangezien voor dat bedrag vóór heden zaken in opdracht en voor zijn rekening aan het registergoed zijn aangebracht (verbouwingswerkzaamheden aan het registergoed zijn verricht), zodat per saldo overdrachtsbelasting is verschuldigd over een bedrag van (...) (€ 233.800).”

3.1.4.

Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging een bedrag van € 14.028 voldaan aan overdrachtsbelasting. Dit bedrag is berekend over de koopsom van € 258.100, verminderd met een bedrag van € 24.265.

3.1.5.

Partijen zijn in de beroepsfase overeengekomen dat de waarde van de volle eigendom van de woning € 495.000 is, dat voor wat betreft de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter i, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wet BRV) moet worden uitgegaan van een bedrag van € 12.133 en dat voor de waardering van de rechten van gebruik en bewoning, gelet op de leeftijd van de moeder, moet worden uitgegaan van 6 percent vermenigvuldigd met een factor 7, ofwel 42 percent van de waarde van de volle eigendom.

3.2.

Het geschil voor het Hof betrof de vraag in hoeverre bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van de woning rekening moet worden gehouden met de waardedruk die uitgaat van de aan de moeder verleende rechten van gebruik en bewoning. Voorts betrof het geschil de vraag of hetgeen van de verkrijgingsprijs is vrijgesteld op grond van artikel 15, lid 1, letter i, Wet BRV in mindering moet worden gebracht vóór- of nadat de waardedruk door de rechten van gebruik en bewoning in aanmerking is genomen.

3.3.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat uit de akte van levering volgt dat aan de moeder beperkte rechten van gebruik en bewoning in de zin van artikel 3:8 BW in verbinding met artikel 3:226 BW zijn verleend. Bij de vaststelling van de waardedrukkende werking van deze rechten moet volgens het Hof in aanmerking worden genomen dat aan de moeder weliswaar rechten van gebruik en bewoning zijn verleend die strekken tot gebruik en bewoning van de gehele onroerende zaak, maar dat die rechten met uitzondering van de slaapkamers van de moeder en van de belanghebbende, een recht van medegebruik behelzen in die zin dat ook belanghebbende als eigenaar het recht heeft om de onroerende zaak te gebruiken en te bewonen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur – in aanmerking nemende dat de omvang van de verleende rechten nagenoeg overeenkomt met de omvang van de aan belanghebbende (als eigenaar) toekomende rechten om de onroerende zaak te bewonen – de waardedrukkende werking van de aan de moeder verleende rechten daarom in redelijkheid kunnen vaststellen op de helft van de rechten van (alleen)gebruik en –bewoning.

3.3.2.

Het Hof heeft verder geoordeeld dat de waarde van de rechten van gebruik en bewoning moeten worden berekend over de waarde van de onroerende zaak zonder rekening te houden met het bedrag van € 12.133 dat op de voet van artikel 15, lid 1, letter i, Wet BRV is vrijgesteld.

4 Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

5 Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

6 Slotsom

7 Proceskosten

8 Beslissing