Home

Hoge Raad, 13-11-2015, ECLI:NL:HR:2015:3270, 14/05684

Hoge Raad, 13-11-2015, ECLI:NL:HR:2015:3270, 14/05684

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; art. 4:8, 4:12, 8:50, lid 1, en 8:77 Awb; art. 6 EVRM; Unierechtelijk beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging. Ingeval een belastingaanslag niet is gegrond op de uitvoering van bepalingen van Unierecht bestaat op grond van art. 4:12, lid 1, Awb voor de Inspecteur onder voorwaarden geen plicht tot het doen horen vooraf, en is het niet mogelijk met vrucht een beroep te doen op het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging noch op art. 6 EVRM. Het staat de bestuursrechter vrij alleen dan een onderzoek ter plaatse in te stellen indien hem dit in het kader van zijn taak zinvol voorkomt. Beslissing over in hoger beroep nieuw bijgebracht bewijs.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

Nr. 14/05684

13 november 2015

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 september 2014, nrs. BK‑13/00120, BK-13/00121 en BK-13/00122, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage (nrs. AWB 11/9742, AWB 11/9743 en AWB 11/9744) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2004, 2005 en 2006 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.

Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.

Belanghebbende hield in de jaren waarop de onderhavige navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting betrekking hebben (2004, 2005 en 2006) alle aandelen in [C] B.V. (hierna: Beheer BV), welke vennootschap op haar beurt alle aandelen hield in [D] B.V. (hierna: Bouw BV). De ondernemingsactiviteiten van Bouw BV bestonden uit het aannemen van bouwwerken en het (doen) uitvoeren van bouwwerkzaamheden. Bouw BV is op 11 april 2007 failliet verklaard.

2.2.

Bouw BV heeft in de onderhavige jaren werkzaamheden tegen vergoeding verricht voor een derde. Tijdens een door de Belastingdienst in 2007 en 2008 bij die derde verricht boekenonderzoek is geconstateerd dat deze derde voor die werkzaamheden bedragen contant heeft betaald aan belanghebbende. Vervolgens is geconstateerd dat deze bedragen niet in de administratie van Bouw BV zijn verantwoord. Deze bevindingen hebben geleid tot de start in december 2008 van een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD-ECD. Naar aanleiding van de bevindingen van de FIOD-ECD heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat Bouw BV tijdens de onderwerpelijke jaren met de hiervoor bedoelde jegens die derde verrichte werkzaamheden omzet heeft gerealiseerd die zij niet in haar belastingaangiften heeft verantwoord en dat zij de hieruit voortgevloeide winst heeft uitgedeeld aan belanghebbende. De winstuitdelingen heeft belanghebbende niet in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de onderhavige jaren vermeld. Op deze gronden heeft de Inspecteur aan belanghebbende met dagtekening 12 november 2009 de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd en mededeling gedaan van het opleggen van boetes.

2.3.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de door belanghebbende in contanten ontvangen bedragen terecht als omzet van Bouw BV zijn aangemerkt. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat bij de vaststelling van de hoogte van de bij belanghebbende in aanmerking te nemen winstuitdelingen rekening moet worden gehouden met gemaakte kosten ter realisering van die omzet. De Rechtbank heeft de navorderingsaanslagen dienovereenkomstig verminderd.

2.4.

Het Hof heeft, voor zover het de navorderingsaanslagen betreft, de hiervoor in 2.3 omschreven oordelen van de Rechtbank overgenomen. Het Hof heeft de boetes verminderd tot nihil. Anders dan de Rechtbank was het Hof van oordeel dat alle feiten en omstandigheden in samenhang bezien – waaronder ook het onlosmakelijke verband met de door het Hof gelijktijdig behandelde en met deze zaak samenhangende zaken –, een boete van in totaal € 20.000, opgelegd aan Beheer BV, voor alle zaken passend en geboden is en aansluit bij hetgeen belanghebbende en de gelieerde besloten vennootschappen aan strafbare feiten bewezen hebben begaan en aan strafrechtelijke gevolgen (hebben moeten) ondergaan.

3 Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

3.1.

Middel I richt zich met een motiveringsklacht tegen ’s Hofs oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven met betrekking tot de aan de navorderingsaanslagen ten grondslag liggende inkomenscorrecties.

Middel I slaagt. Belanghebbende heeft in hoger beroep ter betwisting van de omvang van de door de Inspecteur in aanmerking genomen bedragen ter zake van de uitdelingen van winst, stukken in het geding gebracht die niet behoorden tot de stukken waarvan de Rechtbank bij haar beoordeling van de zaken kennis heeft genomen. Door in zijn uitspraak geen overweging te wijden aan deze in hoger beroep nieuw bijgebrachte bestrijding van de correcties en zich aan te sluiten bij de gronden die de Rechtbank bezigde voor het oordeel dat de Inspecteur die correcties aannemelijk heeft gemaakt, heeft het Hof zijn uitspraak niet naar behoren gemotiveerd.

3.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Rechtbank op goede gronden het beroep van belanghebbende op het zogenoemde verdedigingsbeginsel heeft afgewezen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur in strijd met het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging de navorderingsaanslagen heeft opgelegd, maar dat aan die schending geen gevolgen hoeven te worden verbonden aangezien belanghebbende door de gang van zaken niet is benadeeld. Voorts heeft het Hof ten overvloede geoordeeld dat het beroep van belanghebbende op het zogenoemde verdedigingsbeginsel faalt op de grond dat belanghebbende gedurende de periode voorafgaande aan het moment waarop de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, bij voortduring zich bewust schuldig heeft gemaakt aan ernstige belastingfraude. Middel II richt zich tegen de hiervoor omschreven oordelen van het Hof met het betoog dat de onderhavige navorderingsaanslagen in strijd met het Europeesrechtelijk beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, met het gewone evenredigheidsbeginsel alsmede met artikel 6 EVRM zijn opgelegd, hetgeen ertoe moet leiden dat deze navorderingsaanslagen worden vernietigd.

3.2.2.

Met betrekking tot middel II wordt het volgende vooropgesteld.

Ingevolge artikel 4:8 Awb stelt een bestuursorgaan voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd, naar verwachting bedenkingen zou hebben, die belanghebbende in principe in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen met betrekking tot de voorgenomen beschikking. Volgens artikel 4:12, lid 1, Awb kan een bestuursorgaan toepassing van artikel 4:8 Awb achterwege laten bij beschikkingen van financiële aard indien tegen een dergelijke beschikking bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld, en voorts de nadelige gevolgen van die beschikking na bezwaar of administratief beroep tegen die beschikking volledig ongedaan kunnen worden gemaakt.

De onderhavige navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting zijn beschikkingen van financiële aard in de hiervoor bedoelde zin.

3.2.3.

Voor zover middel II onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betoogt dat de hiervoor in 3.2.1 omschreven oordelen van het Hof in strijd zijn met de binnen het Unierecht geldende verplichting voor een bestuursorgaan om bij het nemen van een bezwarend besluit de rechten van de verdediging te eerbiedigen, kan middel II niet tot cassatie leiden. De onderhavige zaak betreft navorderingsaanslagen die met toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn opgelegd op de grond dat door een in Nederland gevestigde vennootschap winstuitdelingen zijn gedaan aan een in Nederland woonachtig persoon. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de verplichting om de rechten van de verdediging te eerbiedigen een beginsel van het recht van de Europese Unie is waarop belanghebbenden zich voor de nationale rechter kunnen beroepen wanneer (bezwarende) besluiten worden genomen die binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie vallen (vgl. HvJ 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, ECLI:EU:C:2013:105, BNB 2014/15).

Het opleggen van een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting onder de hiervoor in de eerste alinea bedoelde omstandigheden vormt niet een bezwarend besluit dat is gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan voorschriften van de Europese Unie, zodat het hiervoor bedoelde beginsel in zoverre geen afbreuk kan doen aan de bevoegdheid van de inspecteur om navorderingsaanslagen als de onderhavige op te leggen met toepassing van artikel 4:12, lid 1, Awb.

3.2.4.

Voor zover middel II betoogt dat de hiervoor omschreven oordelen van het Hof in strijd zijn met artikel 6 EVRM kan het middel evenmin tot cassatie leiden, reeds omdat artikel 6 EVRM niet van toepassing is op geschillen over belastingaanslagen (zie EHRM 12 juli 2001, nr. 44 759/98, Ferrazzini tegen Italië, BNB 2005/222, en onder meer HR 4 maart 2011, nr. 10/01402, ECLI:NL:HR:2011:BP6284, BNB 2011/126).

3.2.5.

Voor zover middel II betoogt dat het evenredigheidsbeginsel aan toepassing van artikel 4:12 Awb in de weg staat, faalt het middel aangezien toetsing van de formele wet aan algemene rechtsbeginselen in strijd is met het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet (zie HR 14 april 1989, nr. 13822, NJ 1989, 469).

3.2.6.

Middel II voert ten slotte een motiveringsklacht aan tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende niet ernstig is benadeeld door het niet voorafgaand aan de oplegging van de navorderingsaanslagen horen van belanghebbende, en wijst in dit verband erop dat de aan de navorderingsaanslagen ten grondslag liggende inkomenscorrecties alsnog door de rechter zijn verminderd.

Zoals hiervoor in 3.2.2 is overwogen, maakt artikel 4:12, lid 1, Awb het door de inspecteur zonder voorafgaand horen opleggen van een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting mogelijk mits – voor zover hier van belang - de nadelige gevolgen van die beschikking na bezwaar tegen die beschikking volledig ongedaan kunnen worden gemaakt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij het opnemen van deze voorwaarde ervan is uitgegaan dat bij financiële beschikkingen eventuele nadelige gevolgen daarvan in het algemeen kunnen worden voorkomen door uitstel van betaling te verlenen dan wel die gevolgen kunnen worden hersteld door terugbetaling van het betaalde na de beslissing op het bezwaar. De enkele omstandigheid dat een rechter oordeelt dat een navorderingsaanslag te hoog is vastgesteld, de uitspraak op bezwaar vernietigt en dienovereenkomstig de desbetreffende aanslag vermindert, rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is geweest van nadelige gevolgen die niet volledig ongedaan konden worden gemaakt. Middel II faalt ook in zoverre.

3.3.1.

Middel III richt zich tegen de afwijzing door het Hof van het door belanghebbende gedane verzoek om een onderzoek ter plaatse als bedoeld in artikel 8:50, lid 1, Awb in te stellen. Blijkens de stukken van het geding zag dit verzoek op een aantal panden waaraan werkzaamheden als hiervoor in 2.2 vermeld zijn verricht en strekte het verzoek ertoe te bewijzen dat de hiervoor in 2.3 bedoelde kosten hoger zijn dan het bedrag dat het Hof uiteindelijk aannemelijk heeft geacht.

3.3.2.

Artikel 8:50, lid 1, Awb geeft de bestuursrechter de bevoegdheid een onderzoek ter plaatse in te stellen. Het staat hem vrij van die bevoegdheid alleen dan gebruik te maken indien hem dit in het kader van zijn taak zinvol voorkomt.

3.3.3.

Het Hof heeft aan de afwijzing van belanghebbendes verzoek ten grondslag gelegd dat na ommekomst van een periode van tien jaar van het verzochte onderzoek in redelijkheid geen bijdrage kan worden verwacht om tot waarheidsvinding te komen. Aldus heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het verzochte onderzoek hem niet zinvol voorkomt. Dit oordeel geeft, gelet op het hiervoor in 3.3.2 overwogene, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel III faalt derhalve.

4 Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

5 Slotsom

6 Proceskosten

7 Beslissing