Home

Hoge Raad, 09-01-2015, ECLI:NL:HR:2015:34, 14/00987

Hoge Raad, 09-01-2015, ECLI:NL:HR:2015:34, 14/00987

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 januari 2015
Datum publicatie
9 januari 2015
ECLI
ECLI:NL:HR:2015:34
Formele relaties
Zaaknummer
14/00987

Inhoudsindicatie

Art. 96 Wfsv en art. 5.4 Regeling Wfsv; in beginsel geen terugwerkende kracht bij toewijzing verzoek concernaansluiting.

Uitspraak

9 januari 2015

nr. 14/00987

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. c.s. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2014, nr. 13/00535, betreffende de afwijzing van een aanvraag om aansluiting bij een sector als bedoeld in artikel 96 Wet financiering sociale verzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Het geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door mr. J.A. Booij, advocaat te Amsterdam.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 30 september 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende vormt met een aantal vennootschappen een economische of organisatorische eenheid als bedoeld in artikel 5.4 van de Regeling Wfsv.

2.1.2.

Bij brief van 25 oktober 2012 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om te beslissen dat die vennootschappen met ingang van 1 januari 2010 zijn aangesloten bij dezelfde sector als die waarin belanghebbende is ingedeeld (sector 35).

2.1.3.

Bij brief van 7 februari 2013 heeft de Inspecteur het verzoek toegewezen met dien verstande dat als ingangsdatum niet 1 januari 2010 maar 1 september 2012 heeft te gelden.

2.2.1.

Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur een andere ingangsdatum dan 1 september 2012 diende te hanteren.

2.2.2.

Uit de bewoordingen van artikel 5.4 van de Regeling Wfsv heeft het Hof afgeleid dat de Inspecteur bevoegd doch niet verplicht is een krachtens die bepaling gedaan verzoek in te willigen, en dat de Inspecteur ook voor de datum waarop de concernaansluiting ingaat niet aan het daartoe strekkende verzoek gebonden is. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur is om een sectorwijziging op verzoek van de werkgever niet met terugwerkende kracht toe te staan, terwijl een sectorwijziging in verband met onjuiste indeling van de werkgever wel met terugwerkende kracht wordt vastgesteld.

2.3.1.

Het eerste middel komt onder meer op tegen het oordeel van het Hof dat de Inspecteur niet verplicht was het hiervoor onder 2.1.2 genoemde verzoek ook met betrekking tot de daarin genoemde ingangsdatum te honoreren. Het middel betoogt daartoe dat een verzoek om toepassing te geven aan artikel 96, lid 3, Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv), hetzij in verbinding met artikel 5.4 van de Regeling Wfsv, hetzij in verbinding met onderdeel 52, lid 5, van Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv, door de inspecteur slechts getoetst mag worden aan de in die bepalingen gestelde voorwaarden.

2.3.2.

Volgens artikel 5.4 van de Regeling Wfsv “kan” de inspecteur op aanvraag beslissen dat twee of meer werkgevers aangesloten zijn bij dezelfde sector. Onderdeel 52, lid 5, van Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv bepaalt dat de inspecteur “kan” beslissen dat een werkgever, in afwijking van hetgeen eerder in dat onderdeel is bepaald, wordt ingedeeld in een andere sector dan sector 52. Het woord “kan” in beide bepalingen duidt erop dat de regelgeving de inspecteur beoordelingsvrijheid heeft gegund bij de behandeling van een aanvraag om een zodanige beslissing. Noch aan de context van deze bepalingen, noch aan de geschiedenis van de totstandkoming daarvan, kan worden ontleend dat de regelgever de inspecteur deze beoordelingsvrijheid heeft willen onthouden.

2.3.3.

In het licht daarvan kan belanghebbende niet worden gevolgd in haar betoog dat de inspecteur gehouden is een verzoek om een beschikking tot concernaansluiting te honoreren met ingang van de in dat verzoek vermelde in het verleden gelegen datum, in gevallen waarin toen reeds aan de voorwaarden voor inwilliging was voldaan.

2.4.1.

Voorts klaagt het middel erover dat het Hof, zo al moet worden aangenomen dat de Inspecteur bij de toepassing van de hiervoor in 2.3.1 bedoelde bepalingen een discretionaire bevoegdheid heeft, had moeten oordelen dat de Inspecteur met zijn beschikking beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheidsbeginsel, heeft geschonden.

2.4.2.

Ook in zoverre kan het middel geen doel treffen. Terecht heeft het Hof overwogen dat beschikkingen waarbij werkgevers op de voet van artikel 96, lid 1 of lid 2, Wfsv bij een sector worden ingedeeld ertoe strekken onterechte afwijkingen van de van rechtswege geldende indeling ongedaan te maken. De omstandigheid dat dergelijke beschikkingen met terugwerkende kracht worden genomen kan niet de gevolgtrekking dragen dat de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden met zijn thans bestreden, op de voet van artikel 95 Wfsv gegeven, beschikking, waaraan slechts beperkte terugwerkende kracht is toegekend.

2.4.3.

Het Hof heeft verder overwogen dat geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit moet worden afgeleid dat de Inspecteur de beginselen van behoorlijk bestuur niet in acht heeft genomen. Mede gelet op de door het Hof vastgestelde feiten ligt in die overweging het oordeel besloten dat de Inspecteur de verzochte concernaansluiting in redelijkheid kon doen ingaan op de eerste dag van het oudste tijdvak waarover belanghebbende de premies nog op aangifte diende te voldoen, zodoende aan zijn beschikking slechts terugwerkende kracht verbindend voor zover een doelmatige uitvoering van de toepasselijke heffingsvoorschriften dat aangewezen maakt. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

2.4.5.

Het tweede middel berust op het uitgangspunt dat het gelijkheidsbeginsel vordert dat de indeling op de voet van artikel 95 Wfsv met terugwerkende kracht moet kunnen plaatsvinden, aangezien ook de in artikel 96, leden 1 en 2, Wfsv neergelegde regeling terugwerkende kracht toelaat. Zoals hiervoor in 2.4.3 reeds is overwogen is dit uitgangspunt onjuist. Het middel faalt daarom.

2.4.6.

Het derde middel behoeft geen behandeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing