Home

Hoge Raad, 15-02-2019, ECLI:NL:HR:2019:239, 18/01915

Hoge Raad, 15-02-2019, ECLI:NL:HR:2019:239, 18/01915

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 februari 2019
Datum publicatie
15 februari 2019
ECLI
ECLI:NL:HR:2019:239
Formele relaties
Zaaknummer
18/01915

Inhoudsindicatie

Artikel 4:17 Awb, artikel 10 Wet op de loonbelasting 1964. Geen loonbelasting over dwangsom die door overheidswerkgever wordt uitgekeerd

Uitspraak

15 februari 2019

Nr. 18/01915

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2018, nr. 16/00543, op het hoger beroep van [X1] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 15/3351) betreffende het van belanghebbende ingehouden bedrag aan loonheffingen over het tijdvak 1 december 2014 tot en met 31 december 2014. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 27 november 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1452).

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende is militair ambtenaar en werkzaam als vlieger. Op 16 december 2013 heeft hij een verzoek ingediend om hem meer vlieguren toe te kennen. De minister van Defensie heeft dat verzoek afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op dat bezwaar is niet tijdig beslist, waarna belanghebbende met toepassing van artikel 4:17 Awb aanspraak heeft gekregen op een dwangsom van € 120. De dwangsom is aan belanghebbende betaald onder inhouding van loonheffingen.

2.2.

Voor het Hof was in geschil of terecht loonheffingen zijn ingehouden op de aan belanghebbende betaalde dwangsom. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de dwangsom verschuldigd is geworden doordat het bestuursorgaan in gebreke is gebleven tijdig op het bezwaar te beslissen en dat belanghebbende recht op die dwangsom heeft in zijn hoedanigheid van maker van bezwaar. Een dergelijke bate vindt niet zozeer grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten loon moet worden aangemerkt, aldus het Hof.

2.3.

Tegen dit oordeel richt zich het middel met het betoog dat het Hof is uitgegaan van een te beperkte opvatting van het fiscale loonbegrip.

2.4.

Het middel faalt op de grond die is vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/01914 (ECLI:NL:HR:2019:138), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 18/01920 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4 Beslissing