Hoge Raad, 16-06-2020, ECLI:NL:HR:2020:1055, 20/00962
Hoge Raad, 16-06-2020, ECLI:NL:HR:2020:1055, 20/00962
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 16 juni 2020
- Datum publicatie
- 16 juni 2020
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:1055
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:380
- Zaaknummer
- 20/00962
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang van de wet. Hof heeft i.h.k.v. Wahv aan betrokkene opgelegde (boete)beschikking t.z.v. parkeren in strijd met parkeerverbod vernietigd. Kan Wahv-boete worden opgelegd voor overtreden van verkeersteken/verkeersbord dat gebod of verbod inhoudt, wanneer blijkt dat plaatsing daarvan (nog) niet berust op geldig verkeersbesluit? O.g.v. art. 62 RVV 1990 zijn weggebruikers verplicht gevolg te geven aan verkeerstekens die gebod of verbod inhouden. In die bepaling wordt geen onderscheid gemaakt of verkeerstekens al dan niet met inachtneming van daarvoor geldende wettelijke voorschriften zijn geplaatst, dat wil zeggen of verkeersbord geplaatst is krachtens verkeersbesluit. Het staat dan ook niet ter beoordeling van weggebruiker of verkeersbord overeenkomstig voorschriften en terecht is geplaatst. Ook o.g.v. eisen van verkeersveiligheid kan deze beoordeling niet aan weggebruiker worden overgelaten. Weggebruiker zal, ook als hij meent dat bord ten onrechte is geplaatst, gevolg moeten geven aan dat verkeersteken, alleen al omdat andere weggebruikers vaak daarop zullen rekenen. Uitzondering op deze regel bestaat slechts in het geval dat situatie onmiskenbaar zo afwijkend is van die waarop verkeersbord betrekking heeft, dat gevolg geven aan dat teken veiligheid op de weg in gevaar zou brengen (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0700). O.g.v. art. 9.2.b en 20d.1 Wahv.b en 20d.1 kan rechter beschikking waarbij administratieve sanctie is opgelegd, vernietigen indien naar zijn oordeel OvJ had moeten beslissen dat omstandigheden waaronder gedraging heeft plaatsgevonden, opleggen van administratieve sanctie niet billijken. Hof heeft vastgesteld dat verkeersbesluit dat ten grondslag lag aan verkeersteken dat parkeerverbod inhield, nog niet in werking was getreden op het moment van gedraging van betrokkene. Vervolgens heeft hof geoordeeld dat het niet ter beoordeling van weggebruiker staat of verkeersteken overeenkomstig voorschriften en terecht is geplaatst. Daarnaast heeft hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat zich niet uitzondering heeft voorgedaan die inhoudt dat situatie onmiskenbaar zo afwijkend is van die waarop verkeersteken betrekking heeft dat gevolg geven aan dat teken veiligheid op de weg in gevaar zou brengen. Deze oordelen getuigen, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet van onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk. Dat verkeersteken dat gebod of verbod inhoudt, niet met inachtneming van daarvoor geldende wettelijke voorschriften is geplaatst, kan echter niet worden aangemerkt als omstandigheid a.b.i. art. 9.2.b Wahv.b , dat wil zeggen noch als omstandigheid waaronder gedraging heeft plaatsgevonden noch als omstandigheid waarin betrokkene verkeert. ’s Hofs oordeel dat oplegging van administratieve sanctie achterwege had moeten blijven omdat verkeersbesluit dat ten grondslag lag aan verkeersteken dat parkeerverbod inhield, nog niet in werking was getreden op het moment van gedraging van betrokkene, getuigt daarom van onjuiste rechtsopvatting. Volgt vernietiging in het belang van de wet.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/00962 CW
Datum 16 juni 2020
ARREST
op het beroep in cassatie in het belang der wet van de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 november 2018, nummer WAHV 200.220.075 in de zaak
van
[betrokkene] ,
wonende te [plaats] ,
hierna: de betrokkene.
1 De uitspraak van het hof
Bij de uitspraak van het hof is in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) de beslissing van de kantonrechter vernietigd, het beroep van de betrokkene tegen de inleidende (boete)beschikking ter zake van “parkeren in strijd met parkeerverbod (bord E1)” gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie en de genoemde (boete)beschikking vernietigd en het verzoek tot vergoeding van proceskosten toegewezen.
2 Het cassatieberoep
De procureur-generaal J. Silvis heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof.
3 Het arrest van het hof
Aan de betrokkene is op grond van de Wahv een sanctie opgelegd wegens “parkeren in strijd met parkeerverbod (bord E1)”. Het hiertegen gerichte administratieve beroep van de betrokkene is door de officier van justitie afgewezen. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen deze afwijzing door de officier van justitie ongegrond verklaard. Vervolgens is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het arrest van het hof houdt onder meer het volgende in:
“1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 19 maart 2016 om 12.23 uur op de Lambertus Huisengastraat te Purmerend met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat er ten tijde van de gedraging geen verkeersbesluit was op basis waarvan er een parkeerverbod gold op de plek waar zijn voertuig stond geparkeerd. De gemeente heeft eerst per 22 juni 2016 een parkeerverbod voor het hele gebied 'Plateel' ingesteld. Dat is na de datum van de gedraging. Vóór 22 juni 2016 was er op basis van een verkeersbesluit alleen een parkeerverbod aan beide zijden van de Wagenweg. Ter uitvoering van het besluit van 22 juni 2016 zijn in het Plateel parkeervakken aangelegd, onder andere op de plek waar de betrokkene op 19 maart 2016 zijn voertuig had geparkeerd.
3. Aan de betrokkene wordt verweten dat hij geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een verbod inhoudt (artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Uit de verklaring van de verbalisant volgt dat het voertuig van de betrokkene niet in een parkeervak stond geparkeerd, terwijl door middel van bebording (E1) een parkeerverbodszone was aangegeven. De betrokkene heeft erkend dat deze bebording aanwezig was ten tijde van de gedraging. Volgens vaste jurisprudentie van het hof staat het niet ter beoordeling van de weggebruiker of een verkeersteken overeenkomstig de voorschriften en terecht is geplaatst. Dat is slechts anders in het geval de situatie klaarblijkelijk zo afwijkend is van die waarop het verkeersteken betrekking heeft dat bij gevolg geven aan dat teken de veiligheid op weg in gevaar zou worden gebracht (vergelijk Hoge Raad 4 december 1984, gepubliceerd in Verkeersrecht 1985, 39). Dat is hier niet het geval. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
4. Het enkele gegeven dat de gedraging is verricht, betekent op zichzelf niet dat een sanctie moet worden opgelegd. Uit artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) volgt dat geen sanctie mag worden opgelegd indien dat, gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht, niet billijk is.
5. Het hof heeft in het arrest van 6 december 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:10748, overwogen (rechtsoverweging 7.) dat artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv meebrengt dat indien in het kader van de aanwending van rechtsmiddelen tegen de oplegging van een sanctie op grond van de Wahv de rechtmatigheid van de bebording en het daaraan ten grondslag liggende verkeersbesluit wordt betwist, door de officier van justitie in administratief beroep en de rechter zal moeten worden onderzocht of dat besluit ten tijde van de gedraging rechtskracht had gekregen en dat besluit niet later in een bestuursrechtelijke procedure is vernietigd of met terugwerkende kracht tot (vóór) het tijdstip van de gedraging is ingetrokken.
6. In het dossier bevindt zich een verkeersbesluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (Verkeersbesluit nummer 549, gepubliceerd in Staatscourant nr. 33709). Hierin wordt - kort samengevat - besloten om het parkeerverbod aan beide zijden van de Wagenweg in te trekken en met ingang van 22 juni 2016 borden parkeerverbodszone te plaatsen bij de ingangen van het Wagenweggebied, inclusief het woongebied 'Plateel'. Hieruit volgt dat ten tijde van de gedraging aan de bebording, voor zover die betrekking had op de in het woongebied 'Plateel' gelegen locatie van de gedraging, geen geldend verkeersbesluit ten grondslag lag.
7. Volgens de advocaat-generaal brengt dit niet mee dat de sanctie niet in stand kan blijven. Daartoe is ter zitting gewezen op het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad.
8. Het hof stelt vast dat de Hoge Raad in dit arrest - dat overigens niet betrekking had op een procedure op grond van de Wahv - de strafbaarheid van de gedraging heeft beoordeeld. In lijn hiermee heeft het hof hier vastgesteld dat de gedraging is verricht. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat voor de vraag of een sanctie moet worden opgelegd ter zake van handelen in strijd met bebording, aan het ontbreken van een aan de bebording ten grondslag liggend geldend verkeersbesluit geen betekenis mag toekomen. De beslissing van de rechtbank in die zaak om geen straf of maatregel op te leggen is niet in cassatie aan de Hoge Raad voorgelegd.
9. Het onder 5. genoemde onderzoek, waartoe overigens slechts reden bestaat indien ter zake een met redenen omkleed en zo mogelijk met stukken onderbouwd verweer is gevoerd, strekt ertoe dat wordt vastgesteld dat de verplichting om gevolg te geven aan een verkeersteken, die voortvloeit uit de aanwezige bebording, stoelt op een deugdelijke wettelijke grondslag. Zo'n grondslag is vereist om het niet gevolg geven aan die verplichting te bestraffen met de oplegging van een sanctie, die inbreuk maakt op het eigendomsrecht van een betrokkene.
10. Dat is hier, gelet op hetgeen in overweging 6. is overwogen, niet het geval. Het opleggen van een sanctie moet daarom achterwege blijven.”