Home

Hoge Raad, 23-10-2020, ECLI:NL:HR:2020:1667, 19/05223

Hoge Raad, 23-10-2020, ECLI:NL:HR:2020:1667, 19/05223

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 oktober 2020
Datum publicatie
23 oktober 2020
ECLI
ECLI:NL:HR:2020:1667
Formele relaties
Zaaknummer
19/05223

Inhoudsindicatie

Art. 3.111, lid 1 en 6, Wet IB 2001, eigen woning, uitzendregeling

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/05223

Datum 23 oktober 2020

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 oktober 2019, nrs. 18/00691 en 18/00692, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/4224 en 17/4225) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 17 juli 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2020:704).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de klachten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Belanghebbende is in 2011 door zijn werkgever uitgezonden naar het buitenland. Hij heeft tot de uitzending tezamen met zijn echtgenote gewoond in een woning in [Z] (hierna: de woning). De echtgenote heeft tot 4 januari 2014 bij de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) ingeschreven gestaan op het adres van de woning en is vanaf die datum ingeschreven op het buitenlandse adres van belanghebbende. Belanghebbende en de echtgenote verbleven in de woning wanneer zij naar Nederland kwamen. In 2017 zijn belanghebbende en de echtgenote teruggekeerd naar Nederland. Sindsdien wonen zij weer in de woning. Een van de dochters van belanghebbende en de echtgenote woonde tot 22 oktober 2010 in de woning. Daarna woonde zij voor haar studie op kamers en stond zij elders ingeschreven in de BRP. In de weekends verbleef zij in de woning. Van 10 maart 2014 tot en met 7 mei 2014 was de woning het hoofdverblijf van de dochter en stond zij op het adres van de woning ingeschreven.

2.1.2.

In zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2014 en 2015 heeft belanghebbende de woning als eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001 aangemerkt en de betaalde hypotheekrente in mindering gebracht op het eigenwoningforfait. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslagen de aftrek van de (negatieve) belastbare inkomsten uit eigen woning gecorrigeerd en de woning en de daarmee samenhangende hypotheekschuld in aanmerking genomen bij de grondslag voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. De correctie ziet op de periode vanaf 10 maart 2014.

2.2.1

Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende de woning met ingang van 10 maart 2014 aan een derde ter beschikking heeft gesteld in de zin van artikel 3.111, lid 6, letter a, van de Wet IB 2001, met als gevolg dat de woning vanaf die datum niet kan worden aangemerkt als eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001.

2.2.2

Het Hof heeft geoordeeld dat de woning na 10 maart 2014 niet meer als eigen woning kan worden aangemerkt omdat de dochter vanaf het moment dat zij op kamers is gaan wonen, niet meer tot het huishouden van belanghebbende behoorde. Een kind dat meerdere jaren als uitwonend student een studie heeft doorlopen moet in beginsel als zelfstandig worden beschouwd. Dat wordt in beginsel niet anders indien zo’n kind tijdelijk weer in het ouderlijk huis verblijft, aldus het Hof. De vraag of het onderhavige geval anders moet worden beoordeeld, heeft het Hof ontkennend beantwoord. De betrekkelijk uitzonderlijke situatie dat de dochter moet worden geacht wederom deel te zijn gaan uitmaken van het huishouden waarvan zij voorheen, voordat zij ging studeren, deel uitmaakte, doet zich naar het oordeel van het Hof niet voor. Tegen dit oordeel richt zich de eerste klacht.

2.3

Het oordeel van het Hof dat de dochter vanaf het moment dat zij op kamers ging wonen geen deel meer uitmaakte van het huishouden van belanghebbende en dat zij bij haar terugkeer in die woning in 2014 niet opnieuw deel ging uitmaken van dat huishouden, is gebaseerd op de aan het Hof voorbehouden waardering van de feiten. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip ‘derden’ in artikel 3.111, lid 6, Wet IB 2001.1 Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het Hof hoefde zich van dat oordeel niet te laten weerhouden door het gegeven dat de dochter geen eigen inkomen had en door belanghebbende werd onderhouden, en evenmin door de omstandigheid dat de dochter regelmatig bij belanghebbende en/of de echtgenote – al dan niet in de woning – verbleef. De klacht faalt daarom.

2.4

De klachten kunnen voor het overige evenmin leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing