Home

Hoge Raad, 24-09-2021, ECLI:NL:HR:2021:1351, 19/01550

Hoge Raad, 24-09-2021, ECLI:NL:HR:2021:1351, 19/01550

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 september 2021
Datum publicatie
24 september 2021
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1351
Formele relaties
Zaaknummer
19/01550

Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; artt. 10a en 67f, lid 1, AWR; art. 15 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968; boete wegens niet-naleven van de verplichting tot suppletie van een btw-aangifte; nemo-teneturbeginsel; overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/01550

Datum 24 september 2021

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 februari 2019, nr. BK-18/00821, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/811) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven boetebeschikking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door P. de Haas, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 16 juni 2021 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Belanghebbende heeft bij haar aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2011 op de door haar verschuldigde omzetbelasting ten onrechte een bedrag van € 209.000 in aftrek gebracht. Nadien heeft zij dit bedrag als schuld opgenomen op haar balans per 31 december 2011.

2.2

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 11 november 2015 meegedeeld dat haar een vergrijpboete zal worden opgelegd van € 5.000 wegens het opzettelijk niet voldoen aan de verplichting tot het doen van een suppletie met betrekking tot de aangifte over het tweede kwartaal van 2011. Daarbij heeft de Inspecteur vermeld dat deze boete is gebaseerd op artikel 10a AWR in samenhang gelezen met artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Uitvoeringsbesluit). De boetebeschikking is op 17 november 2015 aan belanghebbende gegeven.

2.3

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht aan belanghebbende een boete heeft opgelegd wegens het opzettelijk niet voldoen aan de verplichting tot het alsnog bij wijze van suppletie de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekken.

2.4

Het Hof heeft verder geoordeeld dat de Rechtbank de door de Inspecteur opgelegde boete ten onrechte heeft verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting bij de Rechtbank. Gelet op de datum waarop de Inspecteur het opleggen van de boete heeft aangekondigd (11 november 2015) en de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan (27 juni 2018), heeft de berechting twee jaar en acht maanden geduurd. De vertraging in de procesduur is naar het oordeel van het Hof geheel te wijten geweest aan het procedeergedrag van belanghebbende. Van die vertraging is een periode van meer dan zeven maanden veroorzaakt doordat belanghebbende bij de Rechtbank diverse keren uitstel heeft gevraagd en gekregen van het onderzoek ter zitting. Voorts heeft het meer dan drie maanden geduurd voordat belanghebbende de verzochte nadere motivering van het bezwaar heeft verstrekt, aldus nog steeds het Hof.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

Middel I, dat is gericht tegen het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof, kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechtelijke organisatie).

3.2

Middel II is gericht tegen de hiervoor in 2.4 weergegeven oordelen van het Hof.

3.3.1

Bij de behandeling van middel II stelt de Hoge Raad voorop dat partijen enige tijd moet worden gegund voor herstel van verzuimen in het bezwaar- of beroepschrift, en dat van het tijdsverloop dat daarmee is gemoeid, niet kan worden gezegd dat het wordt veroorzaakt door een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft af te wijken van de bij wijze van vuistregel gehanteerde termijnen zoals die volgen uit het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006 (hierna: het arrest van 22 april 2005). Voor het herstellen van een verzuim dat kleeft aan een ingediend bezwaarschrift is het hiervoor bedoelde tijdsverloop doorgaans vier weken.2Een bijzondere omstandigheid doet zich in beginsel evenmin voor indien de rechter op verzoek van een partij het onderzoek ter zitting voor de eerste keer uitstelt.3 Bij de beoordeling of daaropvolgende verzoeken tot verder uitstel van het onderzoek ter zitting kunnen leiden tot afwijking van de hiervoor bedoelde, als vuistregel te hanteren termijnen dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld. In rechtsoverweging 4.5 van het arrest van 22 april 2005 is onder letter d verduidelijkt dat hieronder in elk geval moet worden verstaan de mate van voortvarendheid die is betracht bij het vaststellen van de datum van het onderzoek ter zitting.

3.3.2

Middel II betoogt dat het verlenen van uitstel van de motivering van het bezwaar niet aan belanghebbende toerekenbaar is geweest en dat belanghebbende die stelling in haar reactie op het incidentele hoger beroep heeft onderbouwd. Belanghebbende heeft aangevoerd – onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3117, en van 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461 – dat het tijdsverloop dat is gemoeid met het aanleveren van de nadere motivering van het bezwaar geen aanleiding mag zijn om in deze zaak af te wijken van de termijn die in het algemeen als redelijk geldt voor de duur van een bepaalde fase van het proces. Volgens het middel moet het voorgaande ook gelden voor het tijdsverloop dat was gemoeid met het door de Rechtbank op verzoek van belanghebbende verlenen van uitstel van het onderzoek ter zitting. In dit verband wijst het middel erop dat na een eerste verzoek tot uitstel meer dan drie maanden zijn verstreken voordat de Rechtbank, zonder enig voorafgaand contact, een nieuwe oproep verzond met een zittingsdatum gelegen na de periode waarvoor belanghebbende verhinderdata had opgegeven. Vervolgens heeft het weer drie maanden geduurd voordat de Rechtbank een zittingsdatum had bepaald, aldus het middel.

3.3.3

Middel II slaagt. Belanghebbende heeft het Hof in haar reactie op het incidentele hoger beroep gewezen op de hiervoor in 3.3.2 genoemde omstandigheden. In het licht van dit bij het Hof gevoerde verweer geven de hiervoor in 2.4 weergegeven oordelen van het Hof blijk van miskenning van hetgeen hiervoor in 3.3.1 is overwogen, ofwel hadden zij nader moeten worden gemotiveerd. Die nadere motivering ontbreekt echter in de bestreden uitspraak.

4 Ten overvloede

5 Slotsom

6 Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

7 Proceskosten

8 Beslissing