Home

Hoge Raad, 26-03-2021, ECLI:NL:HR:2021:435, 20/01221

Hoge Raad, 26-03-2021, ECLI:NL:HR:2021:435, 20/01221

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 maart 2021
Datum publicatie
26 maart 2021
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:435
Formele relaties
Zaaknummer
20/01221

Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 20/01221

Datum 26 maart 2021

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 februari 2020, nrs. BK-18/00615 tot en met BK-18/00618, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 17/5923 tot en met SGR 17/5926) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2009 tot en met 2012 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en belastingrente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door E.F. Kraaijeveld, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Namens belanghebbende is de zaak toegelicht door E.F. Kraaijeveld, advocaat te Amsterdam.

2 Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing