Home

Hoge Raad, 14-01-2022, ECLI:NL:HR:2022:15, 21/00836

Hoge Raad, 14-01-2022, ECLI:NL:HR:2022:15, 21/00836

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:15
Zaaknummer
21/00836

Inhoudsindicatie

Art. 32bd Wet LB 1964 (2013). Toekenning aandelen aan werknemers door een andere tot het concern behorende vennootschap. Is belanghebbende als werkgever van die werknemers over de waarde van die aandelen een pseudo-eindheffing hoog loon verschuldigd?

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/00836

Datum 14 januari 2022

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2021, nr. 19/009741, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 18/4400) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de loonheffingen over het tijdvak 1 maart 2013 tot en met 31 maart 2013 en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordig door H.J. Noordenbos, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 17 september 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.2

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Belanghebbende werd als dochteronderneming van [A] N.V. op 21 maart 2012 genoteerd aan de Amsterdamse effectenbeurs. Haar aandelen werden daarvoor gehouden door een aantal private equity fondsen. Het ene deel van die fondsen werd beheerd door [B] (hierna: [B] respectievelijk de [B] -fondsen), het andere deel door [C] (hierna: [C] respectievelijk de [C] -fondsen).

Om het (toekomstige) management van belanghebbende te laten participeren in de structuur waartoe belanghebbende behoort, hebben deze fondsen in 2006 de vennootschap [M] LLC (hierna: de LLC) opgericht. Het bestuur van de LLC werd gevormd door vertegenwoordigers van deze fondsen. De aandelen in de LLC werden gehouden door de [B] -fondsen en de [C] -fondsen, ieder voor 50 procent.

2.2

In verband met de voorgenomen beursgang heeft de LLC in 2012 aan dertien managers van belanghebbende voor een symbolisch bedrag een belang toegekend. Dit belang bestaat uit door de kleindochtermaatschappijen van de LLC uitgegeven certificaten van aandelen en Preferred Equity Certificates. De belangen zijn toegekend via een recht van levering van aandelen [A] N.V. door [B] respectievelijk [C] en hadden in totaal een waarde van € 20 miljoen. Ten tijde van de toekenning hielden de [B] -fondsen en de [C] -fondsen ieder (indirect) een belang van 36,3 procent in belanghebbende en hield de LLC een middellijk belang van 1,3 procent in belanghebbende.

2.3

Belanghebbende heeft in verband met de in 2.2 weergegeven toekenningen loonheffing op aangifte betaald. Zij heeft geen pseudo-eindheffing hoog loon als bedoeld in artikel 32bd van de Wet op de loonbelasting 1964, tekst 2013, aangegeven of betaald. De Inspecteur heeft voor de pseudo-eindheffing hoog loon een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd.

3 Procedure voor het Hof

3.1

Voor het Hof was in geschil of belanghebbende over de in 2.2. weergegeven toekenningen aan haar managers pseudo-eindheffing hoog loon verschuldigd is.

3.2

Het Hof heeft geoordeeld dat uit de door [B] en [C] gekozen samenwerkingsvorm vanaf 2006 tot aan de beursgang van belanghebbende niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het voordeel uit deze aandelentoekenning op één lijn moet worden gesteld met de situatie waarin het voordeel in opdracht van en voor rekening van belanghebbende is verstrekt, zodat sprake is van “eigen” loon van belanghebbende. Daarbij heeft het Hof onder meer laten meewegen dat [B] en [C] (indirect) een meerderheidsbelang van 72,6 procent in belanghebbende hielden en dat zij (indirect) de LLC hebben opgericht. Dat de aandelen zijn toegekend door de LLC en dat de LLC op basis van de door haar gehouden aandelen in belanghebbende niet is aan te merken als een concern- of groepsvennootschap van belanghebbende, heeft het Hof in deze situatie niet relevant geacht.

3.3

Belanghebbende is dus inhoudingsplichtig voor de loonheffing ter zake van het voordeel uit de aandelentoekenning aan de managers en zij is daarom ook de pseudo-eindheffing hoog loon verschuldigd, aldus het Hof.

4 Beoordeling van het middel

5 Proceskosten

6 Beslissing