Home

Hoge Raad, 11-02-2022, ECLI:NL:HR:2022:169, 20/00817

Hoge Raad, 11-02-2022, ECLI:NL:HR:2022:169, 20/00817

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 februari 2022
Datum publicatie
11 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:169
Formele relaties
Zaaknummer
20/00817

Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 20/00817

Datum 11 februari 2022

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 januari 2020, nr. 18/003171, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 16/773) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, de verrekening met die aanslag van een bedrag aan voorlopige verliesverrekening als bedoeld in artikel 21, lid 3, laatste volzin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van die wet en een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. de Lignie en M.D. Bosch, heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht. De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.

2. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel en het in het incidentele beroep voorgestelde middel

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat de middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

Wat betreft het principale beroep in cassatie zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.Wat betreft het incidentele beroep in cassatie ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.036 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2022.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 532.