Home

Hoge Raad, 25-02-2022, ECLI:NL:HR:2022:312, 21/00564

Hoge Raad, 25-02-2022, ECLI:NL:HR:2022:312, 21/00564

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 februari 2022
Datum publicatie
25 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:312
Formele relaties
Zaaknummer
21/00564

Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting; prejudiciële vragen; art. 27ga AWR; goed koopmansgebruik; matchingbeginsel; afkoopsom renteswaps activeren en amortiseren of ineens ten laste van de winst brengen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/00564

Datum 25 februari 2022

PREJUDICIËLE BESLISSING

op het verzoek van de Rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) aan de Hoge Raad om in het geding tussen

STICHTING [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

en

de INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST (hierna: de Inspecteur)

de bij beslissing van 9 februari 2021, nr. LEE 18/19181, op de voet van artikel 27ga AWR voorgelegde vragen bij wijze van prejudiciële beslissing te beantwoorden.

1 De procedure in feitelijke instantie

1.1

Ten aanzien van belanghebbende is voor het jaar 2014 een beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 gegeven, waarbij het verlies voor dat jaar is vastgesteld op € 5.092.587.

1.2

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur het verlies voor het jaar 2014 vastgesteld op € 5.255.152.

1.3

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank.

2 Het procesverloop bij de Hoge Raad

2.1

De Rechtbank heeft aan de Hoge Raad prejudiciële vragen voorgelegd.

2.2

Zowel belanghebbende, vertegenwoordigd door R.P. Wiersma, als de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben partijen schriftelijk op elkaars opmerkingen gereageerd.

2.3

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 30 april 2021 geconcludeerd tot beantwoording van de prejudiciële vragen zoals weergegeven in onderdeel 8 van de conclusie.2

2.4

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten

3.1

Belanghebbende is een stichting die op grond van de Woningwet bij koninklijk besluit is toegelaten als een instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkzaam is (een woningcorporatie). Zij heeft in 2014 vijf renteswapcontracten afgekocht en tegelijkertijd de onderliggende leningen met variabele rente (met een hoofdsom van in totaal € 42.500.000) vervangen door leningen met een vaste rente (met een hoofdsom van in totaal € 42.500.000). Haar beroep betreft de fiscale verwerking van de afkoopsommen die zij heeft betaald.

3.2

Voor de uitgangspunten voor de beantwoording van de prejudiciële vragen wordt verwezen naar de onder 1 van de uitspraak van de Rechtbank opgenomen feiten. Deze zijn door de Rechtbank vastgesteld overeenkomstig de gelijkluidende weergave van die feiten door beide partijen (in paragraaf 3 van zowel het beroepschrift als het verweerschrift). Hierna in 3.3 tot en met 3.6 worden enkele bijzonderheden en achtergronden van de renteswaps en de herfinanciering samengevat.

3.3

Door de renteswaps werd de variabele rente van de onderliggende leningen ‘geruild’ tegen een vaste swaprente. De renteswaps konden op grond van een zogenoemde optional break clause eenzijdig door ieder van partijen worden beëindigd op een van de overeengekomen ‘break’-data. Belanghebbende moest als onderdeel van de renteswapverplichtingen onder omstandigheden voldoen aan zogenoemde aanvullende margin calls. Deze margin calls brachten mee dat, afhankelijk van de ontwikkeling van de rentecurve, liquiditeiten als onderpand moesten worden gestort bij de bank waarbij de renteswap was afgesloten. Als gevolg van de zeer lage marktrente legden de margin calls een zodanige last op de liquiditeiten van belanghebbende dat zij in de loop van het jaar 2014 dreigde niet meer door een verplichte ‘stresstest’ met betrekking tot haar liquiditeitspositie3 te komen en daardoor haar status als woningcorporatie te verliezen.

3.4

Vóór de hiervoor in 3.1 bedoelde afkoop en herfinanciering betaalde belanghebbende de afgesproken vaste swaprente aan de betrokken bank, berekend over de hoofdsom. Zij ontving een variabele rente (6-maands Euribor) van deze bank. Aan de bank die de onderliggende lening verstrekte, betaalde belanghebbende diezelfde variabele rente verhoogd met een opslag die per lening verschilde en op afgesproken tijdstippen kon worden herzien.

3.5

Na de afkoop en de herfinanciering betaalt belanghebbende een vast rentepercentage berekend over de hoofdsom van de desbetreffende geherfinancierde lening. Dat vaste rentepercentage ligt voor elke geherfinancierde lening lager dan, daarvóór, het percentage van de vaste swaprente van de samenhangende renteswap vermeerderd met de vaste opslag van de onderliggende lening zoals die gold ten tijde van de afkoop van de renteswap.

3.6

Uitgedrukt in (toekomstige) kasstromen is er na de afkoop en herfinanciering, vergeleken met de situatie daarvóór, een nadeel van, per saldo, nominaal € 3.281.384. Dat nadeel wordt veroorzaakt door de in 2014 betaalde afkoopsommen van de renteswaps, die tezamen in totaal € 20.084.278 beliepen en niet geheel worden gecompenseerd door het feit dat op de geherfinancierde leningen een lagere vaste rente is verschuldigd.

3.7

In geschil is of die afkoopsommen ineens ten laste van de winst komen of dat zij moeten worden geactiveerd en geamortiseerd.

4 De prejudiciële vragen

5 Beoordeling van de prejudiciële vragen

6 Proceskosten

7 Beslissing