Hoge Raad, 19-12-2025, ECLI:NL:HR:2025:1958, 23/02312
Hoge Raad, 19-12-2025, ECLI:NL:HR:2025:1958, 23/02312
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 december 2025
- Datum publicatie
- 19 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1958
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2023:1762
- Zaaknummer
- 23/02312
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; artt. 167, 168, 206, en 250 van BTW-richtlijn 2006; art. 15 Wet OB 1968; art. 25, lid 3, en art. 27, letter e, 1o, AWR; recht op aftrek omzetbelasting; geen aangifte gedaan; verzwaring van de bewijslast dat aan voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan; verenigbaarheid met het Unierecht.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/02312
Datum 19 december 2025
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 april 2023, nr. BK-22/005391, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/3599) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1 Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De belanghebbende, vertegenwoordigd door N. Idrissi, heeft een verweerschrift ingediend.
2 Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende drijft met ingang van 1 januari 2016 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Hij heeft over het tijdvak 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018, ondanks een uitnodiging daartoe, geen aangifte voor de omzetbelasting gedaan. Aan belanghebbende is daarom, met dagtekening 26 februari 2019, over dat tijdvak een naheffingsaanslag in de omzetbelasting naar een geschat bedrag opgelegd (een zogenoemde systeemaanslag).
Op 10 mei 2019 heeft belanghebbende aan de Inspecteur een ingevuld aangiftebiljet voor het tijdvak 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 (hierna: het aangiftebiljet) overgelegd. Daarop is een substantieel bedrag aan verschuldigde omzetbelasting vermeld en een iets hoger bedrag aan aftrekbare omzetbelasting (voorbelasting). Volgens deze gegevens resulteerde dat in een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting. De Inspecteur heeft de systeemaanslag ambtshalvevernietigd en belanghebbende gevraagd om een specificatie van de in het aangiftebiljet vermelde voorbelasting en om overlegging van de kopieën van de facturen waarop die omzetbelasting aan belanghebbende in rekening is gebracht. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd.
De Inspecteur heeft op 25 juli 2019 de in geding zijnde naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is het in het aangiftebiljet vermelde bedrag aan verschuldigde omzetbelasting nageheven en is geen rekening gehouden met het in het aangiftebiljet vermelde bedrag aan aftrekbare belasting. Tijdens de bezwaarprocedure tegen deze naheffingsaanslag heeft belanghebbende de grootboekkaart 2018 en een aantal facturen overgelegd. De Inspecteur heeft vervolgens belanghebbende vragen gesteld over de prestaties waarop die facturen zien en over de rechtsbetrekking met de opsteller van die facturen. Belanghebbende heeft gereageerd op deze vragen waaronder vragen die betrekking hadden op vijf, door een besloten vennootschap (hierna: de BV) opgestelde facturen. Op die facturen zijn de door de BV aan belanghebbende verrichte prestaties omschreven als “Verrichte werkzaamheden [maand]”. Belanghebbende heeft toegelicht dat deze vijf facturen betrekking hebben op een samenwerkingsovereenkomst tussen hem en de BV.
In de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur meegedeeld dat hij een bedrag aan voorbelasting in aftrek zal toestaan, maar dat onder meer de omzetbelasting die op de hiervoor in 2.3 bedoelde vijf facturen (hierna: de vijf facturen) is vermeld, niet voor aftrek in aanmerking komt. Uit de daarover door belanghebbende verstrekte informatie is volgens de Inspecteur niet duidelijk geworden welke prestaties de opsteller van de facturen heeft verricht, en evenmin zijn op basis van die informatie de prestaties op die facturen te herleiden naar de door belanghebbende overgelegde samenwerkingsovereenkomst.
Na deze vooraankondiging heeft de Inspecteur belanghebbende de gelegenheid gegeven nadere stukken te verstrekken. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. Hij heeft de naheffingsaanslag verminderd, maar daarbij het standpunt gehandhaafd dat de op de vijf facturen vermelde omzetbelasting niet voor aftrek in aanmerking komt.
3 De oordelen van het Hof
Voor het Hof was enkel in geschil of de naheffingsaanslag verder moet worden verminderd omdat belanghebbende op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die is vermeld op de vijf facturen. Het Hof heeft bij de behandeling van dat geschil tot uitgangspunt genomen dat op belanghebbende de last rust aannemelijk te maken dat hij terecht en tot het juiste bedrag de op de vijf facturen vermelde omzetbelasting in aftrek heeft gebracht.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de op de vijf facturen vermelde omzetbelasting. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vrij algemene stelling van belanghebbende over de zeer algemene omschrijving op de vijf facturen en de eerder in de procedure gegeven, onsamenhangende toelichting van belanghebbende niet kunnen dienen als bewijs ter onderbouwing van het aftrekrecht. Omdat een duidelijke toelichting, onderbouwd met stukken, op de samenwerking en de afspraken met de BV ontbreekt, kan volgens de Inspecteur niet worden aangenomen dat aan de facturen daadwerkelijk prestaties van de BV jegens belanghebbende ten grondslag liggen en evenmin dat belanghebbende die prestaties heeft gebruikt voor zijn eigen belaste prestaties. De Inspecteur heeft erop gewezen dat belanghebbende over het onderhavige tijdvak niet de vereiste aangifte voor de omzetbelasting heeft gedaan en dat dit op grond van artikel 27e, lid 1, AWR en artikel 27h, lid 2, AWR ertoe leidt dat op belanghebbende de verzwaarde bewijslast rust en hij moet doen blijken in hoeverre de hiervoor in 2.5 bedoelde, bij uitspraak op bezwaar nader vastgestelde naheffingsaanslag onjuist is.
Het Hof heeft uit punt 42 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 september 2016, Barlis 06 – Investementos Imobiliários e Turísticos SA, C-516/14, ECLI:EU:C:2016:690 (hierna: het arrest Barlis), afgeleid dat de Inspecteur zich in dit geval niet op omkering van de bewijslast kan beroepen en dat belanghebbende niet overtuigend hoeft aan te tonen dat hij recht heeft op aftrek van de in geschil zijnde bedragen. Naar het oordeel van het Hof is aan de materiële voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek voldaan en heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van de op de vijf facturen vermelde bedragen aan omzetbelasting.