Hoge Raad, 30-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:137, 24/01608
Hoge Raad, 30-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:137, 24/01608
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 30 januari 2026
- Datum publicatie
- 30 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:137
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2024:1864
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1114
- Zaaknummer
- 24/01608
Inhoudsindicatie
Schenkbelasting; artikel 35d, lid 1, letter c, SW, artikel 9(2) URSE; bedrijfsopvolgingsregeling (BOR), bezitseis ten aanzien van de onderneming, vervolg op HR BNB 2023/97, bewijslastverdeling.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01608
Datum 30 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 maart 2024, nr. BK-ARN 23/14081, betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de schenkbelasting.
1 Het eerste geding in cassatie
De Hoge Raad heeft bij arrest van 21 april 20232 (hierna: het verwijzingsarrest) de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch3 vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2 Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door D.F. Anholts, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 25 oktober 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.4
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3 Uitgangspunten in cassatie
De moeder van belanghebbende (hierna: schenker) hield in 2011 via [E] Beheer B.V. (hierna: [E] ) aanvankelijk een indirect aanmerkelijk belang van 49 procent in [D] B.V. (hierna: [D] ). De overige 51 procent werd indirect gehouden door een vennootschap waarin de neef van belanghebbende alle aandelen hield, [F] Beheer B.V. In een aantal dochtermaatschappijen van [D] werden activiteiten ontplooid bestaande uit het exploiteren van hoorcentra (hierna: ‘horen’) en optiekcentra (hierna: ‘zien’).
In 2011 heeft een juridische splitsing van [D] plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2:334cc BW (‘ruziesplitsing’). Hierbij werden ‘horen’ en ‘zien’ verdeeld tussen schenker en de neef. Schenker verkreeg via een door de splitsing ontstane dochtermaatschappij van [E] ‘horen’, waarin begrepen de deelneming [C] B.V. en het bedrijfspand.
In 2012 heeft een afsplitsing plaatsgevonden van de dochtermaatschappij van [E] , waardoor de aandelen in [C] B.V. en het bedrijfspand werden verkregen door [B] Beheer B.V. (hierna: [B] Beheer), waarin schenker alle aandelen hield.
Op 25 september 2013 heeft schenker alle aandelen in [B] Beheer geschonken aan belanghebbende. In de aangifte is verzocht op deze schenking de bedrijfsopvolgingsregeling (hierna: de BOR) van artikel 35b van de Successiewet 1956 (hierna: de SW) toe te passen.
De Inspecteur heeft de aanslag in de schenkbelasting vastgesteld met toepassing van een voorwaardelijke vrijstelling wegens bedrijfsopvolging. Daarbij is de Inspecteur ervan uitgegaan dat slechts voor 49 procent van de waarde van de aandelen in [B] Beheer is voldaan aan de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 35d, lid 1, aanhef en letter c, van de SW.
In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad de zaak verwezen voor een nader onderzoek naar de vraag of de Inspecteur terecht heeft gesteld dat de dochtermaatschappijen van [D] voorafgaande aan de juridische splitsing minimaal twee objectieve ondernemingen dreven.