Hoge Raad, 13-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:234, 22/03412
Hoge Raad, 13-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:234, 22/03412
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 13 februari 2026
- Datum publicatie
- 13 februari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:234
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2022:6858
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1012
- Zaaknummer
- 22/03412
Inhoudsindicatie
WOZ, Artikel 17 lid 3 Wet WOZ, Gecorrigeerde vervangingswaarde (Waardebepaling), Bewijslastverdeling, Richtsnoeren in taxatiewijzers.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/03412
Datum 13 februari 2026
ARREST
in de zaak van
STICHTING [X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 augustus 2022, nr. BK-ARN 21/014881, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 20/1206) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2019.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P1] , [P2] en [P3] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 10 november 2023 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.2
Zowel belanghebbende als het Dagelijks Bestuur heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak te [Q] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak betreft een in 1987 gerealiseerd gebouw voor middelbaar beroepsonderwijs.
Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) de waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2019 vastgesteld op € 10.189.000. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ. Ter onderbouwing van de vastgestelde waarde heeft de heffingsambtenaar een taxatierapport van 25 augustus 2020 overgelegd. In dat taxatierapport is onder meer gebruik gemaakt van de voor de waardepeildatum 1 januari 2018 geldende Taxatiewijzer en kengetallen deel 1 Onderwijs (hierna ook: de Taxatiewijzer). Bij het bepalen van de levensduur en de restwaarde van de onroerende zaak is de heffingsambtenaar uitgegaan van de gemiddelden van de in de Taxatiewijzer opgenomen gegevens (kengetallen). Ter onderbouwing van de in dit geval toegepaste kengetallen ten aanzien van de restwaardes heeft de heffingsambtenaar verwezen naar een aantal gerealiseerde verkoopcijfers.
3 De oordelen van het Hof
Voor het Hof was in geschil of de waarde van de onroerende zaak naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende heeft voor het Hof een waarde van € 7.858.000 bepleit.
Volgens het Hof heeft belanghebbende de vastgestelde waarde van de onroerende zaak gemotiveerd betwist, zodat op de heffingsambtenaar de last rust te bewijzen dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
Belanghebbende heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat de Taxatiewijzer onvoldoende inzicht biedt in de onderliggende gegevens waarop de daarin genoemde uitgangspunten, zoals de kengetallen voor restwaardes, zijn gebaseerd. Daarnaast onderbouwen de door de heffingsambtenaar in beroep overgelegde transactiegegevens uit de markt de in de Taxatiewijzer genoemde restwaardes niet, aldus belanghebbende. Volgens belanghebbende volgt uit die transactiegegevens juist dat de restwaarde van de opstallen aan het einde van de levensduur een waarde van nihil, of zelfs een negatieve waarde hebben.
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671 (hierna: het arrest van 23 oktober 2020), heeft het Hof overwogen dat, indien partijen voor de vaststelling van de gecorrigeerde vervangingswaarde de richtsnoeren van de Taxatiewijzer tot uitgangspunt nemen, de partij die daarvan wil afwijken, de bewijslast draagt de redenen hiervoor aannemelijk te maken. Dit betekent volgens het Hof in dit geval dat de heffingsambtenaar mag uitgaan van (de gemiddelden van) de restwaarden zoals opgenomen in de Taxatiewijzer. Op belanghebbende rust de bewijslast aannemelijk te maken dat de restwaarde van de opstallen aan het eind van de levensduur, in afwijking van de Taxatiewijzer, op nihil moet worden gesteld, aldus het Hof. Het Hof komt tot het oordeel dat belanghebbende niet in dat bewijs is geslaagd.