Hoge Raad, 13-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:235, 24/00576
Hoge Raad, 13-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:235, 24/00576
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 13 februari 2026
- Datum publicatie
- 13 februari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:235
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:67
- Zaaknummer
- 24/00576
Inhoudsindicatie
Hoor en wederhoor; door rechter uit eigen beweging (via internet) verkregen feitelijke gegevens; na bezwaar wisseling gemachtigde; invloed ‘no cure no pay-afspraak’ met de oude gemachtigde op de vergoeding voor de bezwaarfase.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00576
Datum 13 februari 2026
ARREST
in de zaak van
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GOUWE-RIJNLAND
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 januari 2024, nr. BK-23/6551, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/784) betreffende een door belanghebbende gedaan verzoek om een veroordeling in de kosten van bezwaar.
1 Geding in cassatie
Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2 Uitgangspunten in cassatie
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] in [Q] voor het kalenderjaar 2021 bij beschikking vastgesteld op € 731.000 (hierna: de WOZ-beschikking). Tegelijk met deze beschikking zijn de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en de watersysteemheffing eigenaren voor het kalenderjaar 2021 aan belanghebbende opgelegd.
De toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft tegen de WOZ-beschikking en de aanslagen bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-beschikking en de aanslagen bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
De nieuwe gemachtigde van belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft in beroep het door de nieuwe gemachtigde ingenomen standpunt dat de waarde van de woning diende te worden bepaald op € 601.000, gevolgd.
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase.
In hoger beroep heeft belanghebbende onder meer betoogd dat de Rechtbank de heffingsambtenaar ook had moeten veroordelen tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Het Hof heeft alsnog aan belanghebbende een kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase. Daartoe heeft het Hof geoordeeld dat uit de met de toenmalige gemachtigde gemaakte ‘no-cure-no-pay-afspraak’ volgt dat belanghebbende die gemachtigde een vergoeding moet betalen. Dit oordeel heeft het Hof gebaseerd op algemene voorwaarden vermeld op de website van de toenmalige gemachtigde.
3 Beoordeling van de klachten
De eerste klacht betoogt dat het Hof kennelijk zelf op de website van de toenmalige gemachtigde heeft gezocht naar de algemene voorwaarden van die gemachtigde en zonder te letten op de ingangsdatum van die voorwaarden. In de algemene voorwaarden die voor de onderhavige procedure van kracht zijn, ontbreekt het bepaalde waarop het Hof zijn oordeel over de inhoud van de ‘no-cure-no-pay-afspraak’ heeft gebaseerd, aldus de klacht.
Uit de processtukken volgt dat de algemene voorwaarden waarop het Hof zich heeft gebaseerd, niet tot de door partijen aangevoerde feitelijke gegevens behoren. Het Hof heeft kennelijk uit eigen beweging de website van de toenmalige gemachtigde geraadpleegd en daaraan ontleende feitelijke gegevens aan zijn beslissing ten grondslag gelegd zonder partijen in de gelegenheid te stellen van die gegevens kennis te nemen en zich daarover desgewenst uit te laten. Hierdoor heeft het Hof gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.2 De enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt immers op zichzelf nog niet mee dat zo’n gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is.3
Gelet op wat hiervoor in 3.2 is overwogen, slaagt de eerste klacht. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nadere beoordeling van de vraag of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat aan de bijstand in bezwaar voor belanghebbende geen kosten zijn verbonden.4
Het bepaalde in artikel 7:411, lid 1, BW, dat gelet op artikel 7:400, lid 2, BW van regelend recht is, zou daarbij aan de orde kunnen komen. Voor dat geval verdient het volgende opmerking. Het staat een opdrachtgever op grond van artikel 7:408, lid 1, BW in beginsel te allen tijde vrij om een overeenkomst van opdracht op te zeggen. Indien een opzegging door de opdrachtgever voortijdig is, moet worden beoordeeld of de opdrachtnemer op grond van artikel 7:411, lid 1, BW aanspraak kan maken op gemist loon vanwege dat voortijdig einde van de overeenkomst. Dit geldt ook bij een ‘no-cure-no-pay-afspraak’.5 Het enkele feit dat partijen niet expliciet zijn overeengekomen dat bij voortijdige opzegging een vergoeding dient te worden betaald voor de werkzaamheden, is onvoldoende om het wettelijke uitgangspunt van artikel 7:411 BW buiten werking te stellen.