Home

Hoge Raad, 13-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:236, 24/01554

Hoge Raad, 13-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:236, 24/01554

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 februari 2026
Datum publicatie
13 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:236
Formele relaties
Zaaknummer
24/01554

Inhoudsindicatie

Procesrecht; doorbrekingsgronden; rechtsmiddelenverbod wrakingsbeslissingen in artikel 8:18, lid 6, Awb.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/01554

Datum 13 februari 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de beslissing van de wrakingskamer van het Gerechtshof Den Haag van 28 februari 2024, nr. 200.337.492/01, betreffende het hoger beroep van belanghebbende tegen een beslissing van de wrakingskamer van de Rechtbank Rotterdam (nr. C/10/661784 / HA RK 23-690). De beslissing van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de beslissing van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Ter zitting van de Rechtbank van 6 juli 2023 heeft belanghebbende een verzoek tot wraking gedaan van mr. G.C.W. van der Feltz, de behandelend rechter in de hoofdzaak. Bij beslissing van 21 september 2023 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank het wrakingsverzoek afgewezen. Tegen deze beslissing heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

2.2

Bij beslissing van 28 februari 2024 heeft de wrakingskamer van het Hof geoordeeld dat niet is gesteld of gebleken dat de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet is toegepast of dat de wrakingskamer van de Rechtbank buiten het toepassingsgebied van de wrakingsregeling is getreden. Verder doet zich volgens het Hof niet de situatie voor dat de Rechtbank zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking kan worden gesproken. Volgens het Hof is er daarom in dit geval geen aanleiding het rechtsmiddelenverbod van artikel 8:18, lid 5, Awb (thans lid 6) te doorbreken. Het Hof heeft het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.

3 Beoordeling van de klachten

3.1

Belanghebbende komt met diverse klachten op tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven beslissing van het Hof. Bij de behandeling van de klachten stelt de Hoge Raad het volgende voorop.

3.2.1

Op grond van (thans) artikel 8:18, lid 6, Awb staat tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel open.

3.2.2

In eerdere rechtspraak van de civiele kamer en de belastingkamer van de Hoge Raad is geoordeeld dat het hiervoor in 3.2.1 bedoelde rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken indien wordt aangevoerd dat de rechter de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet heeft toegepast, of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking niet kan worden gesproken.1Evenals de civiele kamer2 ziet de belastingkamer van de Hoge Raad aanleiding om van die rechtspraak terug te komen.

3.2.3

Een partij die een verzoek tot wraking heeft gedaan dat is afgewezen of ten onrechte niet in behandeling is genomen, heeft de mogelijkheid in de hoofdprocedure in een hogere instantie aan te voeren dat de aangevochten rechterlijke beslissing niet in stand kan blijven vanwege het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter.3 De grond waarop het verzoek tot wraking berustte, kan dus in hoger beroep of in cassatie van een einduitspraak aan de orde worden gesteld.4 Een rechtsmiddelenverbod staat daaraan niet in de weg.5 De verzoeker tot wraking heeft in zoverre geen belang bij een zelfstandig hoger beroep of beroep in cassatie tegen de beslissing op zijn verzoek.6

3.2.4

Dit geldt ook in zaken waarin artikel 6 EVRM van toepassing is. Deze bepaling noodzaakt namelijk evenmin tot het handhaven van de mogelijkheid van doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van (thans) artikel 8:18, lid 6, Awb. De vraag of sprake is van een eerlijk proces moet immers worden beantwoord ten aanzien van de procedure als geheel.7 De mogelijkheid de onpartijdigheid van de rechter aan de orde te stellen in een beroep tegen de door die rechter gedane uitspraak volstaat daartoe. Daarbij dient te worden bedacht dat als zich in het vervolg van de procedure nieuwe omstandigheden voordoen waaruit (vrees voor) vooringenomenheid van de rechter kan worden afgeleid, opnieuw een verzoek tot wraking kan worden ingediend. Gelet op een en ander ontneemt het rechtsmiddelenverbod de partij die het aangaat geen rechten.8

3.2.5

Gelet op wat hiervoor in 3.2.3 en 3.2.4 is overwogen, legt het belang van een partij om een beslissing op een verzoek tot wraking afzonderlijk aan een hogere rechter te kunnen voorleggen tegenover het belang bij voortgang van de procedure onvoldoende gewicht in de schaal, ook al berust het rechtsmiddel op doorbrekingsgronden. Daarom kan niet langer op doorbrekingsgronden hoger beroep of beroep in cassatie worden ingesteld tegen een beslissing op een verzoek tot wraking.9

3.2.6

Omdat de belastingkamer van de Hoge Raad hiermee terugkomt van haar eerdere rechtspraak, zal de uitsluiting van de mogelijkheid van doorbreking van het rechtsmiddelenverbod bij wrakingen in belastingzaken niet gelden voor gevallen waarin reeds voor de datum van dit arrest een rechtsmiddel is aangewend tegen een beslissing op een verzoek tot wraking.10

3.3

Gelet op wat hiervoor in 3.2.6 is overwogen, wordt de uitsluiting van de mogelijkheid van doorbreking van het rechtsmiddelenverbod niet aan belanghebbende tegengeworpen. De Hoge Raad zal daarom de aangevoerde klachten inhoudelijk beoordelen.

3.4

De Hoge Raad heeft de klachten over de beslissing van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beslissing. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Proceskosten

5 Beslissing