Home

Hoge Raad, 13-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:237, 24/04692 bis

Hoge Raad, 13-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:237, 24/04692 bis

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 februari 2026
Datum publicatie
13 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:237
Formele relaties
Zaaknummer
24/04692 bis

Inhoudsindicatie

Overschrijding van de redelijke termijn; vergoeding immateriële schade door Hof gematigd van € 500 naar € 50; eindarrest na tussenarrest HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1882

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/04692bis

Datum 13 februari 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

  1. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HAARLEMMERMEER

  2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 5 november 2024, nr. 23/8581, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/1862), nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om nadere gegevens te verstrekken.

1 De loop van het geding in cassatie tot dusver

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1882 (hierna: het tussenarrest), wordt verwezen naar dat arrest. In aanvulling daarop merkt de Hoge Raad op dat de Minister van Justitie en Veiligheid voorafgaand aan het tussenarrest een conclusie van dupliek heeft ingediend.

2 Het tussenarrest

2.1.1 Bij het tussenarrest heeft de Hoge Raad beslist dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven voor zover deze de vergoeding van immateriële schade betreft en dat de Hoge Raad de zaak kan afdoen door de uitspraak van de Rechtbank wat betreft de vergoeding van immateriële schade te bevestigen.

2.1.2 Verder heeft de Hoge Raad in het tussenarrest beslist dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: het College) en de Staat ieder voor de helft zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

2.1.3 De Hoge Raad heeft in het tussenarrest bovendien beslist dat de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de heffingsambtenaar) en de Staat ieder voor de helft zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof voor zover die kosten het incidentele hoger beroep betreffen.

2.2.1 De Hoge Raad komt van de hiervoor in 2.1.3 vermelde beslissing terug en overweegt daartoe het volgende.

2.2.2 De Rechtbank heeft de door de heffingsambtenaar en de Staat te vergoeden immateriële schade vastgesteld op € 417 respectievelijk € 83. Zowel belanghebbende als de heffingsambtenaar heeft tegen deze uitspraak (incidenteel) hoger beroep ingesteld. De Staat heeft tegen deze uitspraak geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de door de Rechtbank vastgestelde bedragen aan door de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer en de Staat te vergoeden immateriële schade verlaagd tot respectievelijk € 42 en € 8.

2.2.3 Zoals reeds is geoordeeld in het tussenarrest slaagt het middel voor zover het is gericht tegen de verlaging van de door de heffingsambtenaar te vergoeden immateriële schade.

2.2.4 Voor zover het middel is gericht tegen de verlaging door het Hof van de door de Staat te vergoeden immateriële schade, slaagt het eveneens. Het Hof is hiermee buiten de grenzen van het geschil getreden, omdat de Staat geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.2 Deze uitspraak is daardoor, voor zover het de door de Staat te vergoeden immateriële schade betreft, onherroepelijk geworden.

2.2.5 Aangezien de Staat, zoals hiervoor in 2.2.4 vermeld, geen partij was in de procedure voor het Hof, behoort hij niet in kosten van die procedure te worden veroordeeld. De Hoge Raad zal daarom het tussenarrest op dit punt herstellen, en beslissen dat alleen de heffingsambtenaar moet worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof voor zover die kosten het incidentele hoger beroep betreffen.

3 De omvang van de te vergoeden proceskosten

3.1

De vergoeding van de kosten van de hogerberoepsprocedure wordt vastgesteld op € 934.

3.2.1

Alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, heeft de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. De griffier van de Hoge Raad heeft daartoe op 15 december 2025 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld binnen vier weken na dagtekening van dit bericht nadere gegevens te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat zijn geval met het oog op vergoeding van die proceskosten is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025). Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitale dossier van belanghebbende is eveneens op 15 december 2025 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 15 december 2025.

3.2.2

Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. De Hoge Raad zal daarom ervan uitgaan dat het geval van belanghebbende met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure niet is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad zal de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure daarom berekenen met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm3. Aangezien dit arrest niet inhoudt dat het bestreden besluit (de WOZ-beschikking) wordt vernietigd of gewijzigd, zal hierbij de vermenigvuldigingsfactor 0,10 worden toegepast, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet waardering onroerende zaken.

4 Beslissing