Home

Hoge Raad, 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:24, 23/04460

Hoge Raad, 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:24, 23/04460

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 januari 2026
Datum publicatie
23 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:24
Formele relaties
Zaaknummer
23/04460

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslagen parkeerbelastingen; verhaalbarekostenlimiet; door te berekenen kosten; rechtspraak opbrengstlimiet; meer dan zijdelingse samenhang; publicatie Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen; tijdige bekendmaking.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/04460

Datum 23 januari 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 september 2023, nr. BK-22/012561, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/8171) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.

1 Geding in cassatie

1.1

Belanghebbende, vertegenwoordigd door I.N.D.J. Rissema, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

1.2

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.3

De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 25 oktober 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Belanghebbende heeft op 17 april 2021 zijn auto geparkeerd op een parkeerplaats in de gemeente Den Haag. Bij een controle met een scanauto is geconstateerd dat de daardoor verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan. Naar aanleiding daarvan heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag (hierna: de heffingsambtenaar) een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) aan belanghebbende opgelegd.

2.2

Het op de naheffingsaanslag te betalen bedrag is € 67,30. Dat bedrag bestaat uit de verschuldigde parkeerbelasting van € 2 en uit kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag van € 65,30. Dit bedrag aan kosten voor de naheffing is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 11 van de Verordening parkeerbelastingen Den Haag 2021 (hierna: de Verordening)3 en is gelijk aan het voor het jaar 2021 geldende maximaal aan kosten in rekening te brengen bedrag als bedoeld in artikel 3 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit). Het voor het jaar 2021 geldende maximaal aan kosten in rekening te brengen bedrag, dat door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op grond van artikel 3, lid 2, van het Besluit is vastgesteld, is op 1 september 2020 in de Staatscourant gepubliceerd.4

2.3

De heffingsambtenaar heeft de kosten die ten grondslag liggen aan het in artikel 11 van de Verordening neergelegde bedrag op de volgende wijze onderbouwd:

Cat.

Kosten

Omschrijving

Toegerekende kosten

A

Vaste informatieverwerkingskosten

Beheer- en onderhoudskosten parkeersystemen (50%), kosten Service- huis parkeer- en verblijfsrechten (SHPV) en Nationaal parkeerregister (NPR), bijdrage aan GSM-providers (50%), scanapparatuur e.d.

€ 2.120.000

B

Variabele informatieverwerkingskosten

Perceptiekosten Belastingzaken, kosten bezoekersapp (70%) e.d.

€ 1.579.000

C/D

Kosten van afschrijving en van interest

Scanauto’s, parkeerautomaten (50%)

€ 492.000

E

Personeelskosten

Salariskosten parkeercontroleurs, scanteam, team bezwaar e.d.

€ 8.339.000

F

Overhead (huisvesting, ICT e.d.)

50% van de personeelskosten

€ 4.170.000

Totale kosten

€ 16.700.000

Raming aantal naheffingsaanslagen 242.190

Kosten per naheffingsaanslag € 68,95

Maximumtarief kosten naheffingsaanslag € 65,30

3 De oordelen van het Hof

3.1

Voor het Hof was in geschil of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Voor zover in cassatie nog van belang was daarbij in het bijzonder in geschil (i) of artikel 11 van de Verordening onverbindend is omdat het hiervoor in 2.2, laatste volzin, bedoelde, door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het jaar 2021 vastgestelde bedrag, niet tijdig is bekendgemaakt (vóór de in artikel 3, lid 2, van het Besluit bedoelde datum van 1 september van het voorafgaande jaar), en (ii) of de hiervoor in 2.3 weergegeven onderbouwing van de in rekening te brengen kosten van de gemeente Den Haag in strijd is met de voorschriften voor de kostenberekening in artikel 2 van het Besluit. In het kader van dit tweede geschilpunt voerde belanghebbende aan dat het op grond van artikel 2 van het Besluit niet is toegestaan om de kosten voor parkeerautomaten in aanmerking te nemen bij het vaststellen van de hoogte van de kosten voor het opleggen van een naheffingsaanslag. Ook betoogde hij dat het niet is toegestaan bij de toepassing van artikel 2, lid 2, van het Besluit slechts rekening te houden met het (geraamde) aantal inbare naheffingsaanslagen.

3.2

Ten aanzien van het eerste geschilpunt heeft het Hof geoordeeld dat de publicatie óp 1 september 2020 in plaats van vóór 1 september 2020 niet tot gevolg heeft dat de Verordening op dit punt in strijd is met artikel 3, lid 2, van het Besluit en om die reden onverbindend is. Volgens het Hof kan uit de tekst van die bepaling en de daarbij gegeven toelichting niet worden afgeleid dat bekendmaking op of na 1 september tot gevolg heeft dat het maximumbedrag niet voor het daaropvolgende kalenderjaar mag gelden. De bekendmakingsdatum is uitsluitend bedoeld om gemeenten de gelegenheid te geven het kostenbedrag in hun verordening voor het daaropvolgende kalenderjaar tijdig aan te passen aan het bedrag dat bij het opleggen van naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting maximaal voor de kosten daarvan in rekening mag worden gebracht, aldus het Hof.

3.3

Met betrekking tot het tweede geschilpunt heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat de huidige parkeerautomaten en ook de parkeerapp in een rechtstreekse verbinding staan met de centrale systemen waar kentekens van auto’s worden geregistreerd, zodat de parkeercontrole met behulp van scanauto’s kan plaatsvinden. Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar met die toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten van de parkeerautomaten “dusdanig samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen en tot de vaste informatieverwerkingskosten behoren, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit”.

3.4

Verder heeft het Hof geoordeeld dat de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de kosten voor het opleggen van een naheffingsaanslag terecht is uitgegaan van een raming van de netto baten van de opgelegde naheffingsaanslagen, omdat bij de raming van de baten rekening mag worden gehouden met bedragen die naar verwachting niet inbaar zullen zijn.

4 Beoordeling van de middelen

5 Proceskosten

6 Beslissing