Home

Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:279, 23/00082

Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:279, 23/00082

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20 februari 2026
Datum publicatie
20 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:279
Formele relaties
Zaaknummer
23/00082

Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; bestuurlijke boete; art. 67f AWR; nultarief voor intracommunautaire leveringen geweigerd vanwege deelname aan btw-fraude in andere lidstaat; beboetbaar feit; opzet gericht op en/of grove schuld aan niet-betalen van omzetbelasting in Nederland?

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/00082

Datum 20 februari 2026

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 oktober 2022, nrs. BK-ARN 20/00677 tot en met BK-ARN 20/006791, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 18/2156, AWB 18/2157 en AWB 18/2159) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over tijdvakken in de periode 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2016, de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.

1 Geding in cassatie

1.1

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.H.W.N. Lammers, advocaat, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] , heeft een verweerschrift ingediend.De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door M.H.W.N. Lammers.Na het verstrijken van de voor het indienen van de schriftelijke toelichting gestelde termijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Op dit stuk slaat de Hoge Raad geen acht.

1.2

Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 23 februari 2023 verzocht om, indien de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep wordt overschreden, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van die termijn.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Belanghebbende verhandelt vanuit haar bedrijfsruimte in Nederland onder meer tweedehands personenauto’s aan voornamelijk bedrijven. Onder uitreiking van facturen op naam van in Roemenië, Hongarije, Slowakije respectievelijk Kroatië gevestigde afnemers heeft zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2016 diverse tweedehands personenauto’s verkocht (hierna: de personenauto’s). De personenauto’s zijn ofwel door (een werknemer van) de afnemer ofwel in opdracht van de afnemer door een transportbedrijf bij de bedrijfsvestiging van belanghebbende opgehaald en meegenomen. De kopieën van de afhaalverklaringen dan wel van de CMR-vrachtbrieven die zich in de administratie van belanghebbende bevinden, vermelden als plaats van bestemming het vestigingsadres van de afnemer in Roemenië, Hongarije, Slowakije respectievelijk Kroatië.

2.2

Belanghebbende heeft de afnemers ter zake van de leveringen van de personenauto’s geen omzetbelasting in rekening gebracht en ook heeft zij ter zake van die leveringen geen omzetbelasting op aangifte voldaan. Zij heeft de leveringen van de personenauto’s in haar aangiften voor de omzetbelasting verantwoord als zogenoemde intracommunautaire leveringen waarop het nultarief van toepassing is als bedoeld in artikel 9, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) in samenhang gelezen met letter a, post 6, van de bij de Wet behorende Tabel II (hierna: het nultarief). Belanghebbende heeft deze leveringen tevens vermeld in de in artikel 37a van de Wet bedoelde lijst van afnemers aan wie in een tijdvak goederen zijn geleverd met toepassing van de bij de Wet behorende Tabel II, letter a, post 6.

2.3

De Inspecteur heeft in de jaren 2015 en 2016 een boekenonderzoek verricht naar de aanvaardbaarheid van de aangiften voor de omzetbelasting over tijdvakken in de periode 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2016. Naar aanleiding daarvan heeft hij zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende ter zake van de leveringen van de personenauto’s niet het nultarief heeft mogen toepassen, omdat belanghebbende btw-fraude heeft gepleegd dan wel betrokken is geweest bij btw-fraude. Volgens hem zijn de personenauto’s niet overgebracht naar Roemenië, Hongarije, Slowakije respectievelijk Kroatië zoals vermeld op de hiervoor in 2.1 bedoelde en door belanghebbende, ten bewijze dat zij het nultarief terecht heeft toegepast, aan de Belastingdienst overgelegde documenten. De personenauto’s zijn volgens de Inspecteur naar Duitsland (Berlijn) overgebracht. Niet is gebleken dat ter zake van deze leveringen in het land van vestiging van de afnemer dan wel in Duitsland aangifte van intracommunautaire verwervingen is gedaan. Belanghebbende droeg in de meeste gevallen zorg voor het invullen van de plaats van bestemming van de personenauto’s in een zogenoemde afhaalverklaring respectievelijk CMR-vrachtbrief. Volgens de Inspecteur wist belanghebbende, toen zij de personenauto’s vanuit haar bedrijfsruimte in Nederland leverde, dat de personenauto’s naar Berlijn in Duitsland zouden worden overgebracht, terwijl zij in deze documenten als bestemming het vestigingsadres van een afnemer in Roemenië, Hongarije, Slowakije respectievelijk Kroatië invulde dan wel – indien die bestemming wel al was ingevuld – die bestemming niet deed wijzigen. Zodoende heeft belanghebbende volgens de Inspecteur de werkelijke bestemming van de personenauto’s, Berlijn dus, in de hiervoor bedoelde documenten verhuld. Aan belanghebbende zijn daarom drie naheffingsaanslagen in de omzetbelasting opgelegd, te weten over tijdvakken in de perioden 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014, 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2015 en 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016.

2.3

Gelijktijdig met het opleggen van elke naheffingsaanslag heeft de Inspecteur op de voet van artikel 67f, lid 1, AWR een boete aan belanghebbende opgelegd. De Inspecteur heeft zich daarbij primair op het standpunt gesteld dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de omzetbelasting die op aangifte had moeten worden voldaan, niet is betaald.

3 De oordelen van het Hof

3.1

Voor het Hof was in de eerste plaats in geschil of de Inspecteur ter zake van de hiervoor in 2.1 bedoelde leveringen het door belanghebbende toegepaste nultarief terecht heeft geweigerd. Verder was in geschil of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

3.2.1

Met betrekking tot de toepassing van het nultarief heeft het Hof het volgende overwogen.

3.2.2

Het Hof heeft het aannemelijk geacht dat de personenauto’s naar Berlijn zijn vervoerd en dat belanghebbende weet daarvan had. Belanghebbende heeft opzettelijk bewijs gemanipuleerd en valse verklaringen opgemaakt om die bestemming te verhullen en bewust in haar administratie vermeld dat de personenauto’s zijn vervoerd naar vestigingsadressen van afnemers in Roemenië, Slowakije, Hongarije respectievelijk Kroatië. Hiermee heeft belanghebbende zich naar het oordeel van het Hof schuldig gemaakt aan fraude.

3.2.3

Onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met name het arrest van het Hof van Justitie van 7 december 2010, R., C-285/09, ECLI:EU:C:2010:742, heeft het Hof geoordeeld dat het overleggen van valse verklaringen en andere manipulaties van bewijs kunnen beletten dat de belasting juist wordt geheven. De intracommunautaire verwervingen die volgen op de door belanghebbende verrichte leveringen van de personenauto’s die zij heeft gefactureerd aan de hiervoor in 2.1 bedoelde afnemers, ontsnappen op deze wijze mogelijkerwijs aan de betaling van omzetbelasting in de lidstaat van bestemming, ondanks de wederzijdse bijstand en de administratieve samenwerking tussen de belastingautoriteiten van de betrokken lidstaten. Voor deze leveringen staat vast dat er door deze afnemers geen (op de levering volgende) intracommunautaire verwervingen zijn aangegeven in hun land van vestiging. Omdat de personenauto’s, anders dan de boeken en bescheiden (opzettelijk) doen geloven, naar Berlijn gaan, achtte het Hof aannemelijk dat in Duitsland deze verwervingen niet worden aangegeven. Een ander doel wordt volgens het Hof namelijk niet gediend met het opzettelijk verhullen van de bestemming van de personenauto’s.

3.2.4

Een en ander brengt mee dat de Inspecteur voor de heffing van omzetbelasting het verhullen van de bestemming van de personenauto’s in de gegeven omstandigheden – in overeenstemming met vaste rechtspraak van het Hof van Justitie – mag beschouwen als belastingfraude en dat hij in zulke gevallen van fraude het nultarief weigert, aldus het Hof.

3.3

Over de opgelegde boetes heeft het Hof geoordeeld dat de door de Inspecteur aangedragen feiten en omstandigheden overtuigend aantonen dat de onjuiste aangiften te wijten zijn aan opzet van belanghebbende. Het Hof heeft daartoe overwogen dat belanghebbende de vervoersdocumenten die zich in haar administratie bevinden, willens en wetens frauduleus heeft opgemaakt door daarop opzettelijk onjuiste bestemmingsgegevens te vermelden. Door haar handelen heeft belanghebbende volgens het Hof actief meegewerkt aan een structuur waarin afnemers in de gelegenheid zijn gesteld geen btw aan te geven ter zake van de intracommunautaire verwerving in de lidstaat van bestemming die volgt op de intracommunautaire levering. Daarmee heeft belanghebbende het functioneren van het gemeenschappelijk btw-stelsel in gevaar gebracht, aldus het Hof.

4 Beoordeling van de middelen

5 Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

6 Proceskosten

7 Beslissing