Home

Hoge Raad, 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:280, 23/04337

Hoge Raad, 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:280, 23/04337

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 maart 2026
Datum publicatie
13 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:280
Formele relaties
Zaaknummer
23/04337

Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; art. 9 Wet OB; posten a.1, letter c, en b.14, letter d, van Tabel I behorende bij de Wet OB; besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 december 2017, nr. 2017-16288; toegangsprijs theatervoorstelling is inclusief een tijdens de pauze van de voorstelling verstrekt drankje; twee zelfstandige prestaties; verstrekking van het alcoholhoudende drankje belast naar het algemene omzetbelastingtarief; geen schending van het gelijkheidsbeginsel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/04337

Datum 13 maart 2026

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

STICHTING [X] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2023, nr. 23/002621, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/7235) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende, vertegenwoordigd door D. Molenaar, heeft een verweerschrift ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Belanghebbende exploiteert een theater. Zij verleent tegen betaling van een vergoeding toegang tot theatervoorstellingen.

2.2

Belanghebbende heeft in de toegangsprijs voor de theatervoorstellingen de verstrekking van één drankje tijdens de pauze van de voorstelling begrepen (hierna ook: het pauzedrankje). Bij aanvang van de pauze van een voorstelling staan bij de uitgang van de theaterzaal en in de foyers drankjes klaar waaruit elke bezoeker een drankje mag kiezen om tijdens de pauze te nuttigen. Er is keuze uit alcoholvrije en alcoholhoudende dranken. Voor een theatervoorstelling worden uitsluitend bezoekers met een theaterkaartje toegelaten tot het theater. Het is niet mogelijk te kiezen voor een toegangsprijs waarin de verstrekking van een pauzedrankje niet is begrepen. Bezoekers kunnen voorafgaand aan de voorstelling, tijdens de pauze of na afloop daarvan aan de bar van het inpandige theatercafé een (extra) drankje bestellen tegen betaling van een afzonderlijke vergoeding.

2.3

Op grond van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) in samenhang gelezen met post b.14, letter d, van de bij de Wet behorende Tabel I (hierna: Tabel I), is het verlenen van toegang tot een theatervoorstelling onderworpen aan het verlaagde omzetbelastingtarief. Volgens artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet in samenhang gelezen met post a.1 van Tabel I is de levering van voedingsmiddelen onderworpen aan het verlaagde omzetbelastingtarief, met dien verstande dat die post bepaalt dat tot voedingsmiddelen niet worden gerekend alcoholhoudende dranken. Het tegen vergoeding verstrekken van alcoholhoudende dranken is dus volgens de Wet belast naar het normale tarief.

2.4

Belanghebbende heeft over tijdvakken in de jaren 2015 tot en met 2018 ter zake van de hiervoor in 2.1 ontvangen vergoedingen omzetbelasting voldaan naar het verlaagde tarief. Zij stelt zich op het standpunt dat het in de toegangsprijs begrepen pauzedrankje aan het verlaagde tarief is onderworpen. Volgens haar moet de verstrekking van dat drankje voor de heffing van omzetbelasting worden aangemerkt als een bijkomende prestatie die het lot van de hoofdprestatie – het verlenen van toegang tot de theatervoorstelling – volgt en daarom op de voet van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet in samenhang gelezen met post b.14, letter d, van Tabel I is belast naar het verlaagde omzetbelastingtarief, ook voor zover die verstrekking alcoholhoudende dranken betreft.Volgens de Inspecteur zijn het verlenen van toegang tot een theatervoorstelling en het verstrekken van het pauzedrankje voor de heffing van omzetbelasting twee zelfstandig te onderscheiden prestaties. Omdat alcoholhoudende dranken niet worden gerekend tot de op grond van post a.1 van Tabel I onder het verlaagde tarief te brengen voedingsmiddelen, is het tijdens de pauze van de theatervoorstelling verstrekken van alcoholhoudende dranken volgens de Inspecteur onderworpen aan het algemene omzetbelastingtarief. Op die grond heeft hij de onderhavige naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd.

3 De oordelen van het Hof

3.1

Voor het Hof was in geschil of op het verstrekken van de alcoholhoudende pauzedrankjes het verlaagde tarief als bedoeld in artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet van toepassing is. Daarbij spitste het geschil zich in de eerste plaats toe op de vraag of de verstrekking van het pauzedrankje een bijkomende prestatie is die het fiscale lot van de hoofdprestatie, te weten het op grond van post b.14, letter d, van Tabel I aan het verlaagde tarief onderworpen verlenen van toegang tot de theatervoorstelling, deelt.

3.2.1

Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord.

3.2.2

Het Hof heeft daartoe vooropgesteld dat het drankje vanuit van het perspectief van de gemiddelde bezoeker van een voorstelling een afzonderlijk belang heeft ten opzichte van het bijwonen van de voorstelling. Bezoekers kunnen ervoor kiezen om in de pauze geen drankje te nuttigen. Voor die bezoekers is het drankje niet van belang; voor degenen die wel in de pauze het drankje nemen, verandert dit niets aan de voorstelling. Om die reden heeft het Hof geoordeeld dat het hier niet één ondeelbare economische prestatie betreft; daarvan uitgaande heeft het Hof voor de heffing van omzetbelasting twee zelfstandige prestaties onderscheiden.

3.2.3

Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat het pauzedrankje een bijkomende prestatie is die het fiscale lot van de hoofdprestatie (het verlenen van toegang tot de theatervoorstelling) deelt. Voor de modale consument vormt het pauzedrankje geen doel op zich. Het pauzedrankje maakt, aldus het Hof, het bezoek aan een voorstelling aantrekkelijker en is een middel om daarvan zo goed mogelijk te profiteren. Belanghebbende biedt een compleet arrangement van een voorstelling inclusief pauzedrankje en garderobekosten aan om de klant de stress van het wachten in rijen en het verrichten van aparte betalingen tijdens het bezoek te besparen, aldus het Hof. Het pauzedrankje kan worden beschouwd als een aantrekkelijk tussendoortje of een aantrekkelijke afsluiting van het theaterbezoek, waarvan het nuttigen uitsluitend mogelijk is voor bezoekers van een voorstelling. Daarom kan volgens het Hof worden uitgegaan van één enkele prestatie die belanghebbende verricht, bestaande uit meerdere elementen, die moet worden belast tegen het tarief van het hoofdelement, ook al is het mogelijk de omvang van de vergoeding voor elk element te bepalen.

3.3

Omdat de verstrekking van de pauzedrankjes als bijkomende prestatie deelt in het verlaagde tarief dat geldt voor theatervoorstellingen, is het Hof niet toegekomen aan het beroep op het gelijkheidsbeginsel dat belanghebbende deed met verwijzing naar het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 22 december 2017, nr. 2017-162882, geactualiseerd bij besluit van 31 maart 2022, nr. 2022-63343 (hierna: het Besluit van 31 maart 2022).

4 Beoordeling van het middel

5 Proceskosten

6 Beslissing