Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:282, 24/00616
Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:282, 24/00616
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 februari 2026
- Datum publicatie
- 20 februari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:282
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:167
- Zaaknummer
- 24/00616
Inhoudsindicatie
Accijns; art. 51, lid 1, aanhef en letter b, Wet op de accijns; art. 8, lid 1, letter b, Richtlijn 2008/118/EG; het zich buiten een schorsingsregeling bevinden van accijnsgoederen waarvan niet eerder accijns is geheven; aanwijzing belastingplichtige; uitleg van het begrip betrokken; enkele omstandigheid dat een persoon ter plaatse aanwezig is, volstaat niet voor betrokken zijn bij voorhanden hebben van accijnsgoederen.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00616
Datum 20 februari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 januari 2024, nr. 22/013231, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/5532) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de accijns.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door V. Vitanov, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2 Uitgangspunten in cassatie
Naar aanleiding van een onderzoek naar het in Nederland voorhanden hebben van tabaksproducten die niet overeenkomstig de Wet op de accijns (hierna: de Wet) in de heffing zijn betrokken, is de Belastingdienst/FIOD op 4 juni 2018 een in Nederland gelegen loods binnengevallen. Deze loods was niet een accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, lid 1, letter b, van de Wet. In de loods bevonden zich dozen die na opening ervan door medewerkers van de Belastingdienst/FIOD sigaretten bleken te bevatten in verpakkingen met opdruk van diverse merken. De verpakkingen waren niet voorzien van het in Nederland vereiste accijnszegel. In totaal zijn 15.479.950 stuks sigaretten aangetroffen.
Bij de inval heeft de Belastingdienst/FIOD in de loods belanghebbende en een andere persoon aangetroffen. Belanghebbende en deze persoon zijn ter plaatse aangehouden door een hulpofficier van Justitie van de Belastingdienst/FIOD vanwege vermoedelijke betrokkenheid bij het opzettelijk overtreden van het in artikel 5, lid 1, letter b, van de Wet opgenomen verbod om accijnsgoederen voorhanden te hebben die niet volgens de bepalingen van de Wet in de heffing zijn betrokken (artikel 97 van de Wet). Beiden zijn daarover door de Belastingdienst/FIOD verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een op 14 juni 2018 gesloten proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van de Belastingdienst/FIOD ter zake van de op 4 juni 2018 in de loods aangetroffen sigaretten aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de accijns opgelegd naar een bedrag van € 2.925.404.
Voor het Hof was in geschil of die naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende op 4 juni 2018 is aangetroffen in een loods met sigaretten, die niet waren voorzien van accijnszegels. Er was dus voor die sigaretten geen accijns geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. Daarmee is belanghebbende, aldus het Hof, in elk geval betrokken bij het voorhanden hebben van sigaretten door een ander dan belanghebbende. Het Hof heeft om die reden in het midden gelaten of belanghebbende zelf de sigaretten voorhanden had.Dat belanghebbende niet wist dat er sigaretten in de loods lagen en ook niet wist dat daarvoor geen accijns was voldaan, is, anders dan belanghebbende betoogt, niet relevant. Belanghebbende is in wezen risicoaansprakelijk voor het voorhanden hebben door een ander dan hijzelf voor de accijns die is verschuldigd voor onveraccijnsde goederen, aldus nog steeds het Hof.
3 Beoordeling van de middelen
De middelen zijn gericht tegen de hiervoor in 2.4 weergegeven oordelen van het Hof. Zij betogen onder meer dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende in elk geval betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van die sigaretten. Die betrokkenheid kan, aldus het middel, niet automatisch worden gegrond op het feit dat belanghebbende in de loods aanwezig was.
Met betrekking tot de middelen in zoverre wordt het volgende vooropgesteld. In deze zaak is niet in geschil geweest dat ter zake van de hiervoor in 2.1 bedoelde sigaretten accijns verschuldigd is geworden op grond van artikel 2, lid 1, letter b, van de Wet, te weten wegens het voorhanden hebben van de sigaretten buiten een accijnsschorsingsregeling terwijl over die sigaretten geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving.
Bij verschuldigdheid van accijns op grond van artikel 2, lid 1, letter b, van de Wet wijst artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet als belastingplichtige aan zowel “de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft” als “enig ander persoon die bij het voorhanden hebben betrokken is”. Met deze wetsbepaling is uitvoering gegeven aan hetgeen artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG (oud)2 voorschrijft.De middelen betogen in wezen dat het Hof de zinsnede “bij het voorhanden hebben ervan betrokken is” in artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet te ruim heeft uitgelegd door te oordelen dat de omstandigheid dat een persoon die wordt aangetroffen in een opslagloods bij een partij sigaretten die niet zijn voorzien van de vereiste accijnszegels, volstaat om van die persoon de verschuldigde accijns te heffen.
De middelen worden in zoverre terecht voorgesteld. Voor het aannemen van betrokkenheid bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen in de zin van artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet volstaat niet de vaststelling dat de desbetreffende persoon is aangetroffen op een locatie waar een of meer accijnsgoederen zich buiten een accijnsschorsingsregeling bevinden en over welke accijnsgoederen geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. De opvatting dat deze persoon vanwege zijn aanwezigheid een risicoaansprakelijkheid voor de heffing van accijns draagt, vindt geen steun in het Unierecht. Risicoaansprakelijkheid voor de heffing van accijns heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie alleen aangenomen voor de natuurlijke of rechtspersoon die een vergunning heeft om bij de bedrijfsuitoefening accijnsgoederen te produceren, te verwerken, voorhanden te hebben, te ontvangen en te verzenden en die berust op deelname aan een economische activiteit.3 De hiervoor in 2.4 weergegeven andersluidende oordelen van het Hof geven dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
De middelen kunnen echter niet tot cassatie leiden. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de hiervoor in 2.1 bedoelde loods werd gebruikt voor de tijdelijke opslag van buiten een accijnsschorsingsregeling vervaardigde sigaretten en dat de verpakkingen van de aldaar opgeslagen sigaretten niet waren voorzien van het in Nederland vereiste accijnszegel en dat in die loods dozen sigaretten na lossing ervan uit een voertuig in de loods werden gesorteerd en op pallets gestapeld met het oog op verder vervoer en distributie. De stukken van het geding laten ook geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende in het kader hiervan de opdracht had aangenomen, van de persoon die op 4 juni 2018 ter plaatse de fysieke beschikkingsmacht over de sigaretten had, om die dag in de loods tegen vergoeding dozen te sjouwen en op pallets te stapelen. In deze omstandigheden moet belanghebbende worden beschouwd als betrokken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen in de zin van artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2008/118/EG (oud). Dat bij het verstrekken van een dergelijke opdracht hem niet is verteld dat het gaat om dozen die zijn gevuld met sigaretten waarover niet volgens de geldende bepalingen accijns is geheven, doet niet af aan het verschuldigd worden van de accijns op grond van betrokkenheid bij het voorhanden hebben. Dus ook in het geval dat een opdrachtnemer niet weet dat de dozen waarop een dergelijke opdracht ziet, zijn gevuld met pakjes sigaretten of – indien hij daarvan wel op de hoogte is – niet weet dat deze niet zijn voorzien van het in Nederland vereiste accijnszegel, kan die persoon op grond van betrokkenheid als bedoeld in artikel 51, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet toch als belastingplichtige worden aangemerkt.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, is belanghebbende terecht als belastingplichtige aangemerkt. Daaraan doet niet af dat belanghebbende – zoals hij voor het Hof heeft aangevoerd – bij de inval door de Belastingdienst/FIOD in de loods op 4 juni 2018 is aangehouden voordat hij aan het sjouwen en op pallets plaatsen van de ter plaatse aangetroffen dozen heeft kunnen toekomen. Doorslaggevend is dat belanghebbende die dag met dat doel voor ogen de loods is binnengegaan en het buiten zijn wil niet tot het uitvoeren van die handelingen is gekomen.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).