Hoge Raad, 20-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:283, 24/04263
Hoge Raad, 20-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:283, 24/04263
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 maart 2026
- Datum publicatie
- 20 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:283
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:909
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:994
- In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:2325
- Zaaknummer
- 24/04263
Inhoudsindicatie
Artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht; punt van ondergeschikt belang. Algemene overwegingen over de uitleg van die bepaling. Beroep alleen gegrond vanwege schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ. Matiging mogelijk.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/04263
Datum 20 maart 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE REGIONALE BELASTING GROEP
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 oktober 2024, nr. BK-23/3761, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 21/5020) betreffende een ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2021 gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken, een aanslag in de onroerendezaakbelastingen en een aanslag in de watersysteemheffing.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 29 augustus 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2
2 Uitgangspunten in cassatie
De heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep (hierna: de heffingsambtenaar) heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de woning van belanghebbende voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld. In hetzelfde geschrift is aan belanghebbende een aanslag in de onroerendezaakbelastingen en een aanslag in de watersysteemheffing voor dat jaar bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft tegen deze beschikking en aanslagen bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij met een beroep op artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ verzocht om afschriften van bepaalde gegevens te verstrekken. De heffingsambtenaar heeft aan dat verzoek niet voldaan.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en aan belanghebbende een vergoeding voor proceskosten toegekend. De Rechtbank heeft aanleiding gezien om het bedrag van die vergoeding op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) met de helft te verminderen omdat belanghebbende slechts deels in het gelijk is gesteld, namelijk alleen wat betreft haar standpunt over toezending van de gevraagde gegevens, en niet wat betreft haar standpunt over de WOZ-waarde.
3 De oordelen van het Hof
Voor het Hof was in geschil of de Rechtbank de door haar toegekende proceskostenvergoeding terecht op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit heeft gematigd. Volgens belanghebbende is dat niet het geval. Zij voert daartoe onder meer aan dat matiging op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit slechts mogelijk is indien een partij gedeeltelijk in het gelijk is gesteld op een geschilpunt van ondergeschikt belang voor de hoofdzaak. Een geschil over artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is niet een punt van onderschikt belang, aldus belanghebbende.
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:866 (hierna: het arrest van 14 juni 2024). Het heeft daartoe onder meer overwogen dat de Rechtbank haar beslissing om de proceskostenvergoeding met de helft te verminderen heeft gemotiveerd, en dat deze beslissing niet onbegrijpelijk is. Het Hof heeft overwogen geen aanleiding te zien voor het toekennen van een hogere proceskostenvergoeding. Daarbij heeft het Hof opgemerkt dat de Hoge Raad in het arrest van 14 juni 2024 een andere uitspraak van de Rechtbank over dezelfde rechtsvragen heeft bevestigd, waarin de factor licht (0,5) is toegepast bij de berekening van de proceskostenvergoeding.