Hoge Raad, 27-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:297, 24/03415
Hoge Raad, 27-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:297, 24/03415
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 27 februari 2026
- Datum publicatie
- 27 februari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:297
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1125
- Zaaknummer
- 24/03415
Inhoudsindicatie
Artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Vallen KOUDVL-correcties en indexeringspercentages en hun onderbouwing onder de reikwijdte van die bepaling? Algemene overwegingen over de uitleg van het begrip “de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde” in die bepaling.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03415
Datum 27 februari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN COCENSUS
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2024, nr. 23/800, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Dijk en Waard tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/2122) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van Cocensus, vertegenwoordigd door G.G.J. Schipper, heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 17 oktober 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1
2 Uitgangspunten in cassatie
De heffingsambtenaar van (thans) de gemeente Dijk en Waard (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] in [Q] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 bij beschikking vastgesteld op € 657.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 aan belanghebbende bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor in 2.1 vermelde beschikking en aanslag. In het bezwaarschrift heeft hij met een beroep op artikel 40 van de Wet WOZ verzocht om stukken te verstrekken, waaronder de onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum en de factoren die met betrekking tot de woning en de referentiepanden een waardeoordeel uitdrukken over kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging (hierna ook: KOUDVL).
Belanghebbende stelde voor het Hof dat hij tijdens de bezwaarfase bovendien onder meer heeft verzocht om gegevens die inzicht geven in (i) de manier waarop en de percentages waarmee wordt gecorrigeerd bij afwijking van de gemiddelde KOUDVL-waardering, (ii) de onderbouwing van het indexeringspercentage van de referentiekoopsommen, en (iii) de waardering van de bijgebouwen en de onderbouwing daarvan.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende in de bezwaarfase een stuk verstrekt dat door partijen is aangeduid als “taxatiematrix” (hierna: de taxatiematrix). Daarin is vermeld welke van het gemiddelde afwijkende factoren bij de waardevaststelling zijn gehanteerd met betrekking tot kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en ligging van de woning en van drie bij de waardevaststelling gebruikte vergelijkingspanden. Voor de vergelijkingspanden is in de taxatiematrix zowel de koopsom als een waarde op de waardepeildatum 1 januari 2020 vermeld. Met betrekking tot bijgebouwen wordt in de taxatiematrix alleen de gezamenlijke waarde daarvan vermeld, zowel ten aanzien van de woning als ten aanzien van de vergelijkingspanden, zonder uitsplitsing van die waarde per bijgebouw.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende geen percentages verstrekt waarmee wordt gecorrigeerd bij afwijking van de gemiddelde KOUDVL-waardering. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat de waarde van een objectdeel niet met een vaste, vooraf bepaalde factor wijzigt wanneer de factor voor zo’n waardering wordt bijgesteld. De heffingsambtenaar heeft daaraan toegevoegd dat de gevolgen die correcties van deze factoren hebben voor de eindwaarde, berusten op een subjectieve inschatting van de taxateur, die deze inschatting maakt op grond van zijn ervaring en kennis.
Wat de indexering van verkoopprijzen van de vergelijkingspanden betreft, heeft de heffingsambtenaar erop gewezen dat uit de aan belanghebbende verstrekte gegevens blijkt dat indexering heeft plaatsgevonden en dat daaruit tevens is te herleiden met welk percentage dat is gebeurd. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende geen gegevens verstrekt over de wijze waarop de indexering is bepaald. Hij stelt zich op het standpunt dat een onderbouwing van de indexering niet op grond van artikel 40 van de Wet WOZ hoeft te worden verstrekt.
3 De oordelen van de Rechtbank
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.
De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot een vergoeding van een bedrag van € 500 aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In verband hiermee heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de behandeling van het beroep.
Omdat het beroep ongegrond is, hoeft de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht naar het oordeel van de Rechtbank niet te vergoeden.