Home

Hoge Raad, 27-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:298, 22/04085

Hoge Raad, 27-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:298, 22/04085

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 februari 2026
Datum publicatie
27 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:298
Formele relaties
Zaaknummer
22/04085

Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting; art. 14a Wet Vpb (tekst 2017); splitsingsvrijstelling; verkoop verkregen aandeel binnen drie jaar; belastingontwijking?; is het bewijsvermoeden van art. 14a, lid 6, laatste volzin, Wet Vpb in strijd met de Fusierichtlijn?

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 22/04085

Datum 27 februari 2026

ARREST

in de zaak van

[X] N.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 september 2022, nr. BK-ARN 20/011071, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 18/4733) betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 14a, lid 8, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

1 Geding in cassatie

1.1

Belanghebbende, vertegenwoordigd door F.G. Barnard, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

1.2

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 12 mei 2023 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.2Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Belanghebbende is een uitvaartverzekeringsmaatschappij. Zij maakt deel uit van een in Nederland gevestigde groep met onder meer nog een uitvaartverzekeringsmaatschappij en twee levensverzekeringsmaatschappijen. Enig aandeelhouder van belanghebbende is een in Luxemburg gevestigde vennootschap (hierna: de aandeelhouder), waarvan de aandelen middellijk worden gehouden door verschillende leden van één familie. De aandeelhouder was tot 30 december 2015 in Nederland gevestigd; op 30 december 2015 zijn haar zetel en feitelijke vestigingsplaats naar Luxemburg verplaatst.

2.2

Van 1 januari 2012 tot 30 december 2015 maakte belanghebbende als dochtermaatschappij deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met als moedermaatschappij de aandeelhouder, die toen nog in Nederland was gevestigd.

2.3

Belanghebbende en de andere verzekeringsmaatschappijen binnen de groep waren herverzekerd bij een andere in Luxemburg gevestigde vennootschap waarvan de aandelen eveneens middellijk in handen zijn van leden van de hiervoor in 2.1 bedoelde familie. Over de fiscale aanvaardbaarheid van de herverzekeringsovereenkomsten bestaat een langlopend geschil met de Belastingdienst. Het geschil heeft geleid tot correcties, belastingschulden en aansprakelijkstellingen.

2.4

Vanaf de zetelverplaatsing van de aandeelhouder op 30 december 2015 vormde belanghebbende als moedermaatschappij een zogenoemde zuster-fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met andere vennootschappen uit de groep. Daardoor werd zij hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsbelastingschulden van de fiscale eenheid, waaronder de schulden die het gevolg (kunnen) zijn van het hiervoor in 2.3 genoemde geschil met de Belastingdienst. Tot 15 mei 2017 was één van de hiervoor in 2.1 genoemde levensverzekeringsmaatschappijen (hierna: de levensverzekeringsmaatschappij) opgenomen in deze fiscale eenheid.

2.5

Sinds 1 april 2014 stond de levensverzekeringsmaatschappij onder curatele van De Nederlandse Bank (hierna: DNB). Sinds 3 juni 2015 stond ook belanghebbende onder curatele van DNB, vanwege onder meer (het geschil met de Belastingdienst over) de herverzekeringen en de kapitaalpositie. De ondercuratelestelling van belanghebbende heeft DNB steeds verlengd.

2.6

Als gevolg van een beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 15 mei 2017, genomen op verzoek van DNB, was de groep gedwongen om de levensverzekeringsmaatschappij aan een derde te verkopen voor € 1. Op 18 december 2020 heeft de Rechtbank Amsterdam, eveneens op verzoek van DNB, het faillissement van de levensverzekeringsmaatschappij uitgesproken.

2.7

Belanghebbende heeft de Inspecteur op 8 augustus 2017 een memo gestuurd, waarin uitleg wordt gegeven over een voorgenomen verkoop van de onderneming van belanghebbende aan een niet-gelieerde partij (hierna: de koper). Daarin is vermeld waarom wordt gekozen voor een afsplitsing in plaats van voor een activa-passivatransactie, en dat voor de afsplitsing en de daaropvolgende verkoop van de afgesplitste vennootschap zakelijke redenen bestaan op grond waarvan een geruisloze splitsing mogelijk is. Bij het memo is een stappenplan gevoegd, waarin de volgende stappen zijn vermeld: 1. de koper heeft een nieuwe vennootschap (hierna: de nieuwe vennootschap) opgericht;2. de koper verstrekt aan de aandeelhouder een lening van € 55.700.000;3. de aandeelhouder leent het bedrag van € 55.700.000 door aan belanghebbende;4. belanghebbende splitst haar onderneming ter waarde van € 55.700.000 en haar schuld van € 55.700.000 af naar de nieuwe vennootschap tegen uitreiking van één aandeel aan de aandeelhouder, waarna het saldo van het afgesplitste vermogen € 1 bedraagt;5. de aandeelhouder stort haar vordering van € 55.700.000 op (dan) de nieuwe vennootschap op het door haar verkregen aandeel in deze vennootschap, waarna het vermogen van de nieuwe vennootschap € 55.700.000 bedraagt; en6. de aandeelhouder verkoopt haar aandeel in de nieuwe vennootschap aan de koper voor € 55.700.000 en verrekent die verkoopprijs met de verkregen lening van € 55.700.000.

2.8

Op het door belanghebbende ingediende verzoek om zekerheid dat op de hiervoor in 2.7 onder stap 4 bedoelde afsplitsing de splitsingsfaciliteit van artikel 14a, lid 2, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2017; hierna: de Wet) van toepassing is, heeft de Inspecteur bij beschikking van 24 november 2017 afwijzend beslist omdat belanghebbende volgens hem niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afsplitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.

2.9

Het hiervoor in 2.7 weergegeven stappenplan is vastgelegd in een op 18 oktober 2017 door onder meer de koper, de aandeelhouder en belanghebbende gesloten overeenkomst tot verkoop van de onderneming van belanghebbende en van het aandeel in de nieuwe vennootschap. De afsplitsing in de zin van artikel 2:334a, lid 3, BW heeft plaatsgevonden op 11 september 2018, waarbij de gehele onderneming van belanghebbende onder algemene titel is overgegaan op de nieuwe vennootschap, behoudens enkele uitgesloten vermogensbestanddelen en de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de belastingschulden van de fiscale eenheid (zie hiervoor in 2.4). Op 12 september 2018 heeft de aandeelhouder het aandeel in de nieuwe vennootschap overgedragen aan de koper.

3 De oordelen van het Hof

3.1

Voor het Hof was in geschil of de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing als bedoeld in artikel 14a, lid 6, van de Wet. Het Hof heeft partijen gevolgd in hun eenparige opvatting dat het bepaalde in de laatste volzin van dat zesde lid – door het Hof aangeduid als “het tweede bewijsvermoeden” – van toepassing is op de splitsing omdat het bij de splitsing verkregen aandeel binnen drie jaar na de splitsing aan een derde is vervreemd. Op grond van dat “tweede bewijsvermoeden” worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.

3.2

Het Hof heeft, in het midden latend of het einddoel van de transactie – te weten de verkoop van alle ondernemingsactiviteiten (de verzekeringsonderneming) van belanghebbende – als zakelijk kan worden aangemerkt dan wel is ingegeven door aandeelhoudersmotieven, geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de keuze voor de weg van de splitsing door zakelijke overwegingen is ingegeven. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de door haar genoemde voordelen van de splitsing (ten opzichte van een activa-passivatransactie) zich in het onderhavige geval daadwerkelijk voordoen. Evenmin heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat die gestelde voordelen daadwerkelijk een rol hebben gespeeld bij de keuze voor de splitsing. Zo de weg van de splitsing per saldo al een (praktisch) voordeel zou hebben boven een activa-passivatransactie en het motief daarin mede zou zijn gelegen, heeft belanghebbende volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat dit voordeel niet volstrekt marginaal is in vergelijking met het door een fiscaal gefacilieerde splitsing te verkrijgen directe fiscale voordeel.

3.3

Aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de keuze voor de weg van de splitsing door zakelijke overwegingen is ingegeven, waardoor “het tweede bewijsvermoeden” volgens het Hof standhoudt, wordt de splitsing, behoudens tegenbewijs, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing op grond van het bepaalde in de tweede volzin van het zesde lid van artikel 14a van de Wet, door het Hof aangeduid als “het eerste bewijsvermoeden”. Belanghebbende dient in dit kader aannemelijk te maken dat de wijze waarop de transactie is vormgegeven (splitsing) niet als hoofddoel belastingontwijking heeft, aldus het Hof.

3.4

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde weerspreking door de Inspecteur, niet is geslaagd in het leveren van het in het kader van “het eerste bewijsvermoeden” te leveren tegenbewijs (dat de splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing). Het Hof acht de splitsing, waarin alle in het stappenplan genoemde stappen moesten worden gezet om belanghebbende uiteindelijk de tegenwaarde van de onderneming van € 55.700.000 ten goede te laten komen, een kunstmatig en enkel door fiscale overwegingen, namelijk het uitstellen van de heffing van vennootschapsbelasting, ingegeven alternatief voor de activa-passivatransactie. Daarmee heeft de keuze om de verkoop van de gehele onderneming te laten plaatsvinden via de splitsing met als hoofddoel het ontwijken van vennootschapsbelasting, naar het oordeel van het Hof een volstrekt overheersend anti-fiscaal motief. Toepassing van de splitsingsfaciliteit zou leiden tot een zodanig uitstellen van belastingheffing dat strijd ontstaat met doel en strekking van de Fusierichtlijn3, aldus het Hof.

3.5

Het Hof heeft aan zijn hiervoor in 3.1 tot en met 3.4 weergegeven oordelen de conclusie verbonden dat de Inspecteur terecht bij beschikking afwijzend op belanghebbendes verzoek heeft beslist.

4 Beoordeling van de middelen

5 Proceskosten

6 Beslissing