Hoge Raad, 27-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:301, 24/03743
Hoge Raad, 27-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:301, 24/03743
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 27 februari 2026
- Datum publicatie
- 27 februari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:301
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2024:5495
- Zaaknummer
- 24/03743
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; procesrecht; art. 8:75, lid 1, Awb; Besluit proceskosten bestuursrecht; vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het beroep; waarde per punt; HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752; HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:92.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03743
Datum 27 februari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2024, nrs. BK-ARN 22/702 en BK-ARN 22/7031, op de hoger beroepen van belanghebbende en van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 21/557) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 19 februari 2026 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
2 Uitgangspunten in cassatie
2.1.1 De Rechtbank heeft bij uitspraak van 2 maart 2022 het beroep van belanghebbende, gericht tegen de uitspraak op bezwaar betreffende een aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, gegrond verklaard.
2.1.2 De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan belanghebbende. De Rechtbank heeft die proceskostenvergoeding op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022), in samenhang gelezen met punten 1 en 13 van onderdeel A1 en punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij dat besluit, vastgesteld op € 1.082. De Rechtbank is bij die vaststelling uitgegaan van twee punten (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 541.
2.2.1 Belanghebbende heeft bij het Hof geklaagd over de hoogte van de hiervoor in 2.1.2 vermelde vergoeding. Hij stelde – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 (hierna: het arrest van 27 mei 2022) – dat de Rechtbank bij de berekening had moeten uitgaan van een waarde per punt van € 759 als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022).
2.2.2 Het Hof heeft bij uitspraak van 27 augustus 2024 geoordeeld dat de Rechtbank, gelet op het arrest van 27 mei 2022, inderdaad is uitgegaan van het verkeerde bedrag per punt. Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende om die reden gegrond verklaard. Vervolgens heeft het Hof de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase vastgesteld op € 875, uitgaande van twee punten (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 875; de proceskostenvergoeding voor de fase van hoger beroep heeft het Hof vastgesteld op € 875 (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 875.
3 Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de klachten van de middelen I, II en III over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Middel IV bestrijdt het hiervoor in 2.2.2 weergegeven, door het Hof vastgestelde bedrag aan proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Volgens het middel had het Hof voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase dezelfde wegingsfactor moeten hanteren als de Rechtbank heeft gehanteerd. Ook had het Hof belanghebbende een kostenvergoeding voor de bezwaarfase moeten toekennen, aldus het middel.
Middel IV slaagt voor zover het bestrijdt het door het Hof vastgestelde bedrag aan proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Voor zover het hoger beroep van belanghebbende de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase betrof, werd enkel de toegepaste waarde per punt van € 541 bestreden. De Inspecteur heeft in hoger beroep die waarde niet bestreden en heeft evenmin gesteld dat bij toepassing van een hogere waarde per punt dan € 541, het Hof de met inachtneming van die hogere waarde per punt opnieuw vast te stellen vergoeding zou moeten matigen. Het stond het Hof daarom niet vrij om bij het – met inachtneming van de juiste waarde per punt – opnieuw vaststellen van die vergoeding, die vergoeding in het nadeel van de belanghebbende te wijzigen door ambtshalve de door de Rechtbank vastgestelde wegingsfactor van de zaak te verlagen.2
Middel IV faalt voor zover het betoogt dat het Hof een kostenvergoeding voor de bezwaarfase had moeten vaststellen. Het Hof heeft de uitspraak op bezwaar namelijk bevestigd, zodat het voor toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb vereiste herroepen van het bestreden besluit zich niet voordoet.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De Hoge Raad stelt de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep vast op € 1.868, uitgaande van het door de Rechtbank vastgestelde aantal punten en wegingsfactor 1 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt.3