Home

Hoge Raad, 10-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:334, 25/00322

Hoge Raad, 10-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:334, 25/00322

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 maart 2026
Datum publicatie
10 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:334
Formele relaties
Zaaknummer
25/00322

Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94a Sv onder klaagster en anderen op woningen, perceel bouwgrond, auto, effectenportefeuilles, bankrekeningen en vordering in Luxemburg, Zwitserland en België t.l.v. klaagster en anderen i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek “Milwaukee” t.z.v. verdenking van illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelname aan criminele organisatie, met het oog op ontneming van w.v.v. Proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetting van beslag. Kon Rb (economische raadkamer) - in het licht van aangevoerde over wanverhouding tussen waarde van inbeslaggenomen voorwerpen en te verwachten hoogte van mogelijk op te leggen betalingsverplichting - oordelen dat beslag niet in strijd is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit omdat zij niet kan vaststellen dat sprake is van ‘overbeslag’?

HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:128 m.b.t. vraag wanneer rechter blijk moet geven van onderzoek naar vraag of voortzetting van beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en (als dat het geval is) welke eisen moeten worden gesteld aan motivering van zijn beslissing.

Uit stukken volgt dat namens klaagster (onder overlegging van (bank)overzichten van waarden en saldi van (deel van) inbeslaggenomen effectenportefeuilles en bankrekeningen) naar voren is gebracht dat sprake is van ‘overbeslag’ van (minimaal) € 46.534.387, nu waarde van inbeslaggenomen voorwerpen volgens klaagster € 170.478.298 bedraagt en conservatoir beslag is gelegd met het oog op oplegging van ontnemingsmaatregel van € 137.406.608, maar op dit berekende w.v.v. nog bedrag van (minimaal) € 13.462.697 in mindering moet worden gebracht. Rb heeft overwogen dat zij niet beschikt over stukken die nodig zijn om zich oordeel te kunnen vormen over waarde van gelegd beslag en dat stukken die namens klaagster zijn overgelegd daartoe onvoldoende zijn, en zij heeft beklag ongegrond verklaard. Gelet op wat namens klaagster, mede onder verwijzing naar door haar ingebrachte stukken, is aangevoerd over waarde van beslag, was Rb gehouden blijk te geven van onderzoek of voortzetting van beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Rb heeft echter ten aanzien daarvan overwogen dat “ook zij niet beschikt over stukken die nodig zijn om oordeel te kunnen vormen over waarde van gelegd beslag”. Daarmee heeft zij onvoldoende concreet blijk gegeven van zo’n onderzoek, in aanmerking genomen dat Rb zich niet nader heeft laten informeren over waarde van beslag en uit haar beschikking ook niet blijkt waarom, gelet ook op tijdsverloop sinds beslaglegging, van OM niet kon worden gevergd ten aanzien daarvan stukken over te leggen of concrete nadere opgaven te doen. V.zv. Rb hierbij van oordeel is geweest dat summier karakter van onderzoek in raadkamer eraan in de weg staat dat zo’n onderzoek naar verhouding tussen waarde van inbeslaggenomen voorwerpen en te verwachten hoogte van eventuele betalingsverplichting plaatsvindt, heeft zij miskend wat hiervoor is vooropgesteld.

Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 25/00320 B, 25/00321 B, 25/00326 B, 25/00328 B, 25/00330 B, 25/00331 B, 25/00332 B, 25/00333 B, 25/00334 B en 25/00335 B.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/00322 B

Datum 10 maart 2026

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2024, nummer RK 23/028270, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klaagster] ,

gevestigd in [plaats] ,

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben de advocaten G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

De raadslieden De Bont en Prins hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel

2.1

De cassatiemiddelen klagen onder meer over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de voortduring van het beslag niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2

De stukken die voor de beoordeling van de cassatiemiddelen van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3. Deze stukken houden – kort samengevat – het volgende in.In het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de klaagster, tegen [medeklager 1] en tegen [medeklager 2] wegens verdenking van het illegaal aanbieden van online kansspelen op de Nederlandse markt, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie, is op 16 juni 2021 en 15 september 2021 op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) onder de klaagster en onder anderen beslag gelegd op een groot aantal – zich in Zwitserland, België en Luxemburg bevindende – roerende en onroerende zaken, waaronder: woningen, bouwgrond, voertuigen, effectenportefeuilles, bankrekeningen en een geldvordering, met het oog op de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2.3

De rechtbank heeft het namens de klaagster ingediende klaagschrift ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen:

“Het klaagschrift van de klagers strekt tot (gedeeltelijke) opheffing van het op 16 juni 2021 en 15 september 2021 onder of ten laste van klagers gelegde beslag ex artikel 94a Sv op (...) en strekt tot vrijgave van het bedrag aan overbeslag en matiging wederrechtelijk verkregen voordeel van € 46.534.387,00.

(...)

De standpunten.

Het standpunt van klagers.

(...)

Inhoudelijk is verzocht het beklag gegrond te verklaren, omdat het voortduren van het conservatoir gelegde beslag in strijd zou zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, nu (zakelijk weergeven):

- er sprake is van ‘overbeslag’, gelet op het bedrag aan vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dit is berekend door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) en de waarde van het door het Openbaar Ministerie gelegde beslag;

(...)

Het standpunt van het Openbaar Ministerie.

(...)

Subsidiair dient het beklag ongegrond te worden verklaard. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van ‘overbeslag’ omdat de verdediging er aan voorbij gaat dat er sprake is van ‘vervolgprofijt’ en dat het voortduren van het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

(...)

Inhoudelijke beoordeling. (...)

Proportionaliteit en subsidiariteit voortzetten beslag

(...)

Het ‘overbeslag’.

Allereerst voeren klagers aan dat sprake is van overbeslag. Klagers stellen daarbij de waarde van het beslag van ongeveer € 170 miljoen tegenover het vooralsnog door de FIOD berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van circa € 137 miljoen. Op dit berekende voordeel zouden volgens klagers diverse correcties moeten worden toegepast. Een bedrag van circa € 41,1 miljoen zou moeten worden afgetrokken van het door de FIOD berekende wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met (legaal) behaalde omzet uit het buitenland en de (legale) inkomsten van [A]. Gelet hierop is volgens klagers sprake van overbeslag en is het beslag in zoverre in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het Openbaar Ministerie heeft in dit kader aangevoerd dat het - vanwege de nog lopende procedure met betrekking tot de geheimhouderstukken - op dit moment niet beschikt over de stukken uit Zwitserland, België en Luxemburg en dat zij daarom de hoogte van het beslag niet zelf kan vaststellen. Het Openbaar Ministerie kan niet uitgaan van de waarde die de verdediging toekent aan het beslag omdat het dit niet kan controleren. Daarnaast is in het door de FIOD voorlopig berekende wederrechtelijk verkregen voordeel nog geen rekening gehouden met vervolgprofijt. Gelet op de grote bedragen die zijn verdiend, kan dit vervolgprofijt aanzienlijk zijn. De verwachting is daarom dat het uiteindelijk te berekenen wederrechtelijk verkregen voordeel een stuk hoger uit gaat komen.

Zoals hierboven onder het juridisch kader reeds is vermeld, draagt de beoordeling van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd inhoudelijk in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.

De rechtbank stelt allereerst vast dat ook zij niet beschikt over de stukken die nodig zijn om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het gelegde beslag. De stukken die de verdediging in dat kader heeft overgelegd zijn onvoldoende om deze vaststelling te kunnen doen.

Jegens klagers [medeklager 1], [medeklager 2] en [klaagster] bestaat een verdenking van strafbare feiten waarmee (veel) wederrechtelijk voordeel kan zijn verkregen, waarbij sprake kan zijn van ‘vervolgprofijt’. Dit kan eveneens het geval zijn voor de niet verdachte klagers.

De afweging die de verdediging de rechtbank vraagt te maken zou in feite neerkomen op een beoordeling van het door de FIOD berekende bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel (dat in een zeer vroeg stadium van het onderzoek is opgemaakt). Een dergelijke afweging zou naar het oordeel van de rechtbank te veel vooruitlopen op beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak of de ontnemingszaak en gaat het beoordelingskader van deze procedure te buiten. De rechtbank kan en zal in deze procedure daarom niet inhoudelijk reageren op de door de verdediging voorgestelde rekenmethodes met betrekking tot de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen dat sprake is van overbeslag, zoals door de verdediging is gesteld. In zoverre is de rechtbank daarom van oordeel dat het beslag niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.”

2.4.1

De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek. Bij een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv kan de rechter daarnaast gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek als door of namens de klager wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting(en).

2.4.2

De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.

2.4.3

Mede in verband met de beoordeling door de rechter of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit mag van het openbaar ministerie worden verlangd dat het, zoveel als mogelijk is gelet op de fase waarin de zaak zich bevindt, in de beklagprocedure informatie verschaft over het beslag en over de onderliggende strafzaak of ontnemingsprocedure. In geval van conservatoir beslag gaat het daarbij in het bijzonder om de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen in relatie tot de (te verwachten) hoogte van de betalingsverplichting in verband waarmee wordt beoogd een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen. Omdat tijdens de raadkamerprocedure het onderzoek in de strafzaak en/of de ontnemingszaak veelal nog loopt, zal het openbaar ministerie in de regel alleen een voorlopige en globale uitspraak kunnen doen over de hoogte van de te vorderen betalingsverplichting.

2.4.4

Als de beklagrechter van oordeel is dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift, brengt de onderzoekstaak van de beklagrechter met zich dat hij zich nader laat informeren. De beklagrechter kan daarvoor op grond van artikel 23 lid 1 Sv aan het openbaar ministerie het bevel geven om stukken over te leggen. Zo nodig houdt de rechter daartoe het onderzoek in raadkamer aan. Het openbaar ministerie is op grond van artikel 23 lid 5 Sv gehouden de hiervoor bedoelde stukken aan de rechter over te leggen. Laat het openbaar ministerie dat achterwege, dan kan de beklagrechter die omstandigheid betrekken bij de beoordeling van het klaagschrift.

2.4.5

Als de beklagrechter naar aanleiding van zijn onder 2.4.1 bedoelde onderzoek oordeelt dat voortzetting van het beslag in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, verklaart hij het beklag gegrond en geeft hij de daarmee overeenkomende last als bedoeld in artikel 552a lid 10 Sv. (Vgl. HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, rechtsoverweging 2.4.)

2.5.1

Uit de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 weergegeven stukken volgt dat namens de klaagster – onder overlegging van (bank)overzichten van waarden en saldi van (een deel van) de inbeslaggenomen effectenportefeuilles en bankrekeningen – naar voren is gebracht dat sprake is van ‘overbeslag’ van (minimaal) € 46.534.387, nu de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen volgens de klaagster € 170.478.298 bedraagt en het conservatoir beslag is gelegd met het oog op de oplegging van een ontnemingsmaatregel van € 137.406.608, maar op dit berekende wederrechtelijk verkregen voordeel nog een bedrag van (minimaal) € 13.462.697 in mindering moet worden gebracht. De rechtbank heeft overwogen dat zij niet beschikt over de stukken die nodig zijn om zich een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het gelegde beslag, dat de stukken die namens de klaagster zijn overgelegd daartoe onvoldoende zijn, en zij heeft het beklag ongegrond verklaard.

2.5.2

Gelet op wat namens de klaagster, mede onder verwijzing naar door haar ingebrachte stukken, is aangevoerd over de waarde van het beslag, was de rechtbank gehouden blijk te geven van een onderzoek of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank heeft echter ten aanzien daarvan overwogen dat “ook zij niet beschikt over de stukken die nodig zijn om een oordeel te kunnen vormen over de waarde van het gelegde beslag”. Daarmee heeft zij onvoldoende concreet blijk gegeven van zo’n onderzoek, in aanmerking genomen dat de rechtbank zich niet nader heeft laten informeren over de waarde van het beslag en uit haar beschikking ook niet blijkt waarom, gelet ook op het tijdsverloop sinds de beslaglegging, van het openbaar ministerie niet kon worden gevergd ten aanzien daarvan stukken over te leggen of concrete nadere opgaven te doen. Voor zover de rechtbank hierbij van oordeel is geweest dat het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer eraan in de weg staat dat zo’n onderzoek naar de verhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten hoogte van de eventuele betalingsverplichting plaatsvindt, heeft zij miskend wat onder 2.4 is vooropgesteld.

2.6

Voor zover de cassatiemiddelen hierover klagen, slagen zij.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.

4 Beslissing