Hoge Raad, 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:395, 23/01000
Hoge Raad, 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:395, 23/01000
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 13 maart 2026
- Datum publicatie
- 13 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:395
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1210
- In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:466
- Zaaknummer
- 23/01000
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting; artikel 18, paragraaf II, Verdrag Nederland-België; artikel 28, paragraaf III, Verdrag Nederland-België; artikel 30fe AWR; verdeling heffingsbevoegdheid pensioen, drempelbedrag, geen vergoeding belastingrente bij verrekening artikel 15 AWR
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/01000
Datum 13 maart 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 februari 2023, nrs. 21/00618 tot en met 21/006211, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/4786 tot en met 20/4789) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2014 tot en met 2017 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.
1 Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door E.R. van Overmeire, heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 22 december 2023 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.2
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten in cassatie
In de jaren waarover deze procedure gaat, de jaren 2014 tot en met 2017, woonde belanghebbende in België.
In die periode genoot hij een pensioen uit Nederland van ruim € 29.000 per jaar (hierna: het pensioen). Hij heeft het pensioen opgebouwd vanwege een in Nederland vervulde dienstbetrekking. Daarnaast heeft belanghebbende in deze jaren lijfrente-uitkeringen ontvangen van een in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappij van € 359 in 2014 en € 1.437 telkens in de jaren 2015 tot en met 2017 (hierna ook: de lijfrente). De verzekeraar heeft loonbelasting ingehouden op de lijfrente. Met betrekking tot de opbouw van het pensioen en de lijfrente heeft fiscale faciliëring in Nederland plaatsgevonden.
Over 57/280e deel van het pensioen is in belanghebbendes woonland België personenbelasting geheven tegen het reguliere progressieve tarief. Het resterende deel (223/280e) van het pensioen, dat is opgebouwd vóór 2004, wordt in België belast als lijfrente. Voor dit deel van het pensioen wordt het belastbare bedrag op grond van de fiscale wetgeving in België gesteld op 3 procent van het pensioenkapitaal per 1 januari 2004. Hierover wordt in België personenbelasting geheven tegen een tarief van 30 procent.
Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2017 in Nederland geen aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting.
De Inspecteur heeft het volledige bedrag van het pensioen en de lijfrente in de heffing van inkomstenbelasting betrokken.
3 De oordelen van het Hof
Voor het Hof was in geschil of het belastingverdrag Nederland-België van 5 juni 20013 (hierna: het Verdrag) eraan in de weg staat dat in de jaren 2014 tot en met 2017 Nederlandse inkomstenbelasting van belanghebbende wordt geheven over het pensioen en de lijfrente. Het geschil spitste zich toe op de uitleg van artikel 18, paragraaf II, van het Verdrag.
Volgens het Hof geldt op grond van artikel 18, paragraaf I, van het Verdrag als uitgangspunt dat pensioenen en lijfrenten ter heffing zijn toegewezen aan de woonstaat. Paragraaf II van artikel 18 van het Verdrag, dat onder bepaalde voorwaarden de bronstaat ook een heffingsrecht verleent, vormt op die hoofdregel een uitzondering. Eén van die voorwaarden is dat het in de tweede volzin van die tweede paragraaf vermelde drempelbedrag van € 25.000 wordt overschreden.
Belanghebbende heeft zich voor het Hof primair op het standpunt gesteld dat voor de beoordeling of de grens van € 25.000 wordt overschreden, het uit Nederland ontvangen brutobedrag aan pensioen en lijfrente slechts in aanmerking moet worden genomen voor zover dat in België niet progressief wordt belast. De Inspecteur is daarentegen van mening dat het gaat om het totale brutobedrag aan pensioen en lijfrenten dat uit Nederland wordt ontvangen.
Voor het geval het uit Nederland ontvangen totale brutobedrag bepalend is, zoals de Inspecteur betoogt, en de grens van € 25.000 in dit geval daarom wel wordt overschreden, heeft belanghebbende zich voor het Hof subsidiair op het standpunt gesteld dat Nederland van belastingheffing dient af te zien over het deel van de inkomsten dat in België (terecht) progressief in de heffing wordt betrokken. Op die manier behoort volgens belanghebbende te worden voorkomen dat dubbele belastingheffing plaatsvindt. De Inspecteur is daarentegen van mening dat België in dat geval op grond van artikel 23, paragraaf I, letter a, van het Verdrag dubbele heffing moet opheffen door alsnog een voorkoming van dubbele belasting te geven.
Het Hof heeft het primaire standpunt van belanghebbende gevolgd. Gegeven de onduidelijkheid van de verdragstekst, op basis waarvan (ook) de door belanghebbende bepleite uitleg juist kan zijn, en gelet op de verhouding tussen de hoofdregel en de (onduidelijk geformuleerde) uitzondering, is het Hof tot de slotsom gekomen dat het heffingsrecht over het pensioen en de lijfrente exclusief dient te worden toegewezen aan de woonstaat België.
De Inspecteur heeft gewezen op de Overeenkomst van 5 maart 2018 tussen de bevoegde autoriteiten van België en Nederland met betrekking tot de toepassing van artikel 18 van het Verdrag4(hierna: de Overeenkomst). In die overeenkomst is bepaald dat de bronstaat over het totale brutobedrag mag heffen indien het totale bruto aanvullende pensioen niet tegen het progressieve tarief wordt belast, dan wel het brutobedrag voor minder dan 90 procent in de belastingheffing wordt betrokken in de woonstaat. Gelet op zijn hiervoor in 3.2.1 weergegeven overwegingen over de uitleg van artikel 18, paragraaf II, van het Verdrag, is het Hof van oordeel dat de Overeenkomst tot een andere verdeling van de heffingsbevoegdheid leidt dan de verdeling die volgt uit het Verdrag. Nu de Overeenkomst niet is beperkt tot het preciseren of verduidelijken van het Verdrag, dient deze naar het oordeel van het Hof bij de uitleg van artikel 18, paragraaf II, van het Verdrag buiten beschouwing te blijven, althans kan deze niet ten nadele van belanghebbende worden ingeroepen.
Bij zijn uitspraak heeft het Hof de uitspraken op bezwaar vernietigd en zelf in de zaak voorzien. Het heeft daarbij onder meer gelast dat de Inspecteur teruggaaf verleent van de ingehouden loonbelasting en over deze teruggaven belastingrente vergoedt.