Home

Hoge Raad, 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:405, 23/04339

Hoge Raad, 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:405, 23/04339

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 maart 2026
Datum publicatie
13 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:405
Formele relaties
Zaaknummer
23/04339

Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; art. 9 Wet OB; posten a.1, letter c, en b.14, letter d, van Tabel I behorende bij de Wet OB; toegangsprijs theatervoorstelling is inclusief een tijdens de pauze van de voorstelling verstrekt drankje; twee zelfstandige prestaties; verstrekking van het alcoholhoudende drankje belast naar het algemene omzetbelastingtarief.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/04339

Datum 13 maart 2026

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

STICHTING [X] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2023, nr. 22/017721, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 21/2519) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 juli 2015 tot en met 31 december 2017 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende, vertegenwoordigd door D. Molenaar, heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 4.3.1 tot en met 4.3.3 van het heden uitgesproken arrest met nummer 23/04337, ECLI:NL:HR:2026:280, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

2.2

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Het middel voor het overige behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen met inachtneming van het volgende.

2.3

Uit hetgeen in rechtsoverwegingen 4.3.1 tot en met 4.3.3 van het hiervoor in 2.1 vermelde arrest van de Hoge Raad is overwogen, volgt dat voor de heffing van omzetbelasting het door belanghebbende verstrekken van het pauzedrankje niet kan worden aangemerkt als een bijkomende prestatie die het voor de hoofdprestatie, het verlenen van toegang tot een voorstelling als bedoeld in post b.14 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) behorende Tabel I, geldende verlaagde tarief moet delen. De verstrekking van dat drankje is – voor zover het betreft een alcoholhoudende drank (zie rechtsoverweging 2.3 van het hiervoor in 2.1 vermelde arrest) – belast naar het in artikel 9, lid 1, van de Wet neergelegde algemene omzetbelastingtarief.Dat betekent dat het verwijzingshof de door het Hof onbehandeld gelaten stelling van belanghebbende moet beoordelen. Deze stelling houdt in dat de naheffingsaanslag in strijd met het vertrouwensbeginsel is opgelegd.

3 Proceskosten

Aangezien het door de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie gegrond is, is er geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.

4 Beslissing