Hoge Raad, 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:407, 23/04342
Hoge Raad, 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:407, 23/04342
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 13 maart 2026
- Datum publicatie
- 13 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:407
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:3095
- Zaaknummer
- 23/04342
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 9 Wet OB; posten a.1, letter c, en b.14, letter d, van Tabel I behorende bij de Wet OB; toegangsprijs theatervoorstelling is inclusief een tijdens de pauze van de voorstelling verstrekt drankje; twee zelfstandige prestaties; verstrekking van het alcoholhoudende drankje belast naar het algemene omzetbelastingtarief.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/04342
Datum 13 maart 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
STICHTING [X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2023, nr. 21/009911, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 19/3991) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018.
1 Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door D. Molenaar, heeft een verweerschrift ingediend.
2 Beoordeling van het middel
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 4.3.1 tot en met 4.3.3 van het heden uitgesproken arrest met nummer 23/04337, ECLI:NL:HR:2026:280, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Het middel voor het overige behoeft geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
Belanghebbende heeft het over het tijdvak 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018 op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting terecht betaald. De uitspraak van de Rechtbank zal worden bevestigd.
De slotsom dat de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd, brengt mee dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en er in zoverre geen aanleiding is om, zoals het Hof heeft gedaan, de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende heeft gemaakt voor het hoger beroep. Het Hof heeft echter vastgesteld dat de termijn die als redelijk moet worden beschouwd voor het behandelen van een hoger beroep, is overschreden. Het heeft daarom de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot vergoeding van een immateriële schade van € 500.De omstandigheid dat aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep is toegekend, is aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Bij de berekening van deze vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand zal worden uitgegaan van (i) een verzoek om schadevergoeding waaraan 1 punt wordt toegekend, en (ii) wegingsfactor 0,25 (zeer licht), zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Aangezien het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het hoger beroep is gedaan en de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep is verstreken, voordat het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, is gewezen, zal de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) ook worden opgedragen aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft betaald.
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van het geding in cassatie.