Home

Hoge Raad, 20-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:438, 23/02821

Hoge Raad, 20-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:438, 23/02821

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20 maart 2026
Datum publicatie
20 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:438
Formele relaties
Zaaknummer
23/02821

Inhoudsindicatie

WOZ; artikel 17, lid 3, Wet WOZ; gecorrigeerde vervangingswaarde (waardebepaling);bewijslastverdeling; richtsnoeren in taxatiewijzers.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/02821

Datum 20 maart 2026

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE REGIONALE BELASTING GROEP

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 juni 2023, nr. BK-22/003821, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 19/4417) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2019.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Belanghebbende huurt in [Z] een zelfstandig gedeelte van een onroerende zaak, bestaande uit de begane grond en een gedeelte van de eerste verdieping (hierna: de onroerende zaak).

2.2

Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep (hierna: de heffingsambtenaar) de waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2019 vastgesteld op € 357.000. Ter onderbouwing van deze waarde heeft de heffingsambtenaar in de beroepsfase een taxatierapport van 3 november 2021 overgelegd waarin de gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak is bepaald op € 357.177. In dat taxatierapport is onder meer gebruik gemaakt van de voor de waardepeildatum 1 januari 2018 geldende Taxatiewijzer en kengetallen deel 1 Onderwijs (hierna ook: de Taxatiewijzer). Bij het bepalen van de restwaardes van de ruwbouw, afbouw en installaties van de onroerende zaak is de heffingsambtenaar uitgegaan van de gemiddelden van de in de Taxatiewijzer opgenomen gegevens.

2.3

Belanghebbende heeft in beroep een taxatierapport met datum 28 augustus 2019 overgelegd. In dat rapport is onder meer erop gewezen dat ter bepaling van de restwaarden dient te worden uitgegaan van lagere percentages dan in de taxatiewijzers. Deze lagere percentages achten de betrokken gerechtshoven blijkens ECLI:NLGHARL:2015:6339, ECLI:NL:GHDHA:2017:3378 en ECLI:NL:GHARL:2018:3824, niet bewezen, aldus het taxatierapport.

2.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ.

3 De oordelen van het Hof

3.1

Voor het Hof was onder meer in geschil of de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de onroerende zaak te hoog is. Het geschil had, voor zover in cassatie van belang, in het bijzonder betrekking op de vraag of bij de waardering van de onroerende zaak is uitgegaan van de bij de correctie wegens technische veroudering in aanmerking te nemen juiste restwaardes met betrekking tot de ruwbouw, afbouw en installaties van de onroerende zaak.

3.2

Het Hof heeft in de eerste plaats vastgesteld dat beide partijen bij de onderbouwing van hun standpunten uitgaan van de kengetallen van het archetype O115PA12 uit de Taxatiewijzer. Dit brengt volgens het Hof mee dat als een partij in (een van) haar standpunten van een of meer van deze kengetallen afwijkt, die partij de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Dit geldt volgens het Hof ook als de bewijslast volgens de normale regels van stelplicht en bewijslast bij de wederpartij ligt.

3.3

Omdat belanghebbende wat betreft de restwaardes van de ruwbouw, afbouw en installaties van de onroerende zaak wil afwijken van de (bandbreedten van de) kengetallen in het door beide partijen bij de bepaling van hun standpunten over de gecorrigeerde vervangingswaarde tot richtsnoer genomen archetype O115PA12 uit de Taxatiewijzer, dient belanghebbende daarvoor de gronden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, aldus het Hof. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende dit niet heeft gedaan.

3.4

Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde van de onroerende zaak niet te hoog is.

4 Beoordeling van de middelen

5 Slotsom

6 Proceskosten

7 Beslissing