Hoge Raad, 10-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:450, 23/03016
Hoge Raad, 10-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:450, 23/03016
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 10 april 2026
- Datum publicatie
- 10 april 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:450
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2023:1581
- Zaaknummer
- 23/03016
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 9, lid 2, letter a, Wet OB; post a.1, van Tabel I bij de Wet OB; punt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006; levensmiddelen voor menselijke consumptie; magische truffels; rechtszekerheidsbeginsel.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/03016
Datum 10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 juni 2023, nrs. BK-22/00537 en BK-22/005381, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 21/3423 en SGR 21/8117) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de tijdvakken 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 en 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], heeft een verweerschrift ingediend.
Namens partijen is de zaak mondeling toegelicht, voor belanghebbende door A.J.C. Perdaems, advocaat, en voor de Staatssecretaris door W.l. Wisman en L.J. Overwater, advocaten.
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 21 september 2023 verzocht om, indien de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep wordt overschreden, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van die termijn.De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2 Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende is verkoper van zogenoemde magische truffels. Magische truffels zijn schimmelstructuren die tussen de zwamdraden van bepaalde paddenstoelen onder de grond groeien (sclerotia). Magische truffels bevatten psychoactieve stoffen, te weten psilocine en psilocybine, die bij consumptie psychedelische effecten geven. Het innemen van magische truffels leidt tot hallucinaties, het feller zien van kleuren, het intenser beleven van geluiden en dergelijke ervaringen. Magische truffels kunnen vanwege deze effecten slechts in kleine hoeveelheden worden geconsumeerd. Zij worden meestal rauw gegeten.Magische truffels vallen niet onder de Opiumwet zodat zij vrij kunnen worden gekweekt en verhandeld.
Op 13 september 2019 heeft de Belastingdienst op zijn website meegedeeld dat magische truffels vanwege hun hallucinerende werking als genotmiddelen moeten worden aangemerkt en dat de levering daarvan is belast naar het in artikel 9, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) vermelde algemene omzetbelastingtarief. Volgens de Belastingdienst zijn magische truffels geen voedingsmiddelen als bedoeld in post a.1 van Tabel I bij de Wet (hierna: Tabel I) waarvan de levering op grond van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet is belast naar het verlaagde omzetbelastingtarief.
Belanghebbende heeft over de betrokken tijdvakken in 2020 en 2021 ter zake van de leveringen van magische truffels op aangifte omzetbelasting naar het algemene tarief voldaan. Zij heeft telkens bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte en daarbij het standpunt ingenomen dat magische truffels voedingsmiddelen zijn in de zin van post a.1 van Tabel I, zodat – gelet op artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet – op de levering daarvan het verlaagde tarief van toepassing is.
3 De oordelen van het Hof
3.1.1 Voor het Hof was primair in geschil of de levering van magische truffels op grond van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet in samenhang gelezen met post a.1, letter a, van Tabel I is onderworpen aan het verlaagde tarief.
3.1.2 Het Hof heeft geoordeeld dat het verlaagde tarief niet van toepassing is, omdat magische truffels naar het oordeel van het Hof niet zijn aan te merken als eetwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie zoals bedoeld in post a.1, letter a, van Tabel I. Hoewel de magische truffels noodzakelijke voedingsstoffen bevatten, worden deze naar het oordeel van het Hof uitsluitend geconsumeerd voor een ander doel dan het innemen van die voedingsstoffen, te weten voor de hiervoor in 2.1 omschreven psychedelische effecten. De magische truffels kunnen vanwege deze effecten slechts in kleine hoeveelheden worden geconsumeerd waardoor de inname van noodzakelijke voedingsstoffen via de magische truffels verwaarloosbaar is. Volgens het Hof ligt het dan ook niet voor de hand dat de gemiddelde consument die trek of honger heeft, voor magische truffels kiest.
3.2.1 Subsidiair heeft belanghebbende voor het Hof het standpunt ingenomen dat het beginsel van rechtszekerheid meebrengt dat de levering van magische truffels in de betrokken tijdvakken is onderworpen aan het verlaagde tarief. Belanghebbende voerde daartoe aan dat de Hoge Raad in de arresten van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3611 en ECLI:NL:HR:2014:3613 (hierna samen: de arresten van 19 december 2014), en het arrest van 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1671 (hierna: het arrest van 19 juni 2015), heeft geoordeeld over het toepasselijke tarief op soortgelijke producten als magische truffels, te weten paddo’s. Volgens het middel heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aangezien paddo’s eetbaar zijn, zij moeten worden aangemerkt als voedingsmiddelen waarvan de levering is belast naar het verlaagde tarief, en dat daaraan niet afdoet dat paddo’s als genotmiddel plegen te worden geconsumeerd.
3.2.2 Het Hof heeft het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel verworpen. Belanghebbende kan naar het oordeel van het Hof aan de hiervoor bedoelde arresten van de Hoge Raad niet de door haar beoogde rechtszekerheid ontlenen. De arresten van 19 december 2014 hebben, aldus het Hof, betrekking op de uitleg van het begrip "pootgoed voor de teelt van groenten en fruit" in post a.3 van Tabel I en niet op de uitleg van het begrip voedingsmiddel in post a.1 van Tabel I. Bovendien volgt uit de in die arresten gegeven uitleg van de begrippen groente en fruit als bedoeld in post a.3 van Tabel I niet dat een schimmel als een in post a.1 van Tabel I bedoeld voedingsmiddel kan worden aangemerkt. In het arrest van 19 juni 2015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat paddo’s voedingsmiddelen zijn als bedoeld in post a.1 van Tabel I, waarbij het Hof aantekent dat volgens dat arrest niet in geschil was dat paddo’s eetbaar zijn. Aan dit oordeel van de Hoge Raad heeft belanghebbende volgens het Hof dan ook niet in algemene zin de zekerheid kunnen ontlenen dat magische truffels als voedingsmiddelen in de zin van post a.1 van Tabel I kunnen worden aangemerkt. Verder heeft het Hof belanghebbende erop gewezen dat de Hoge Raad in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2082 (hierna: het arrest van 18 december 2020), al bij arrest van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:643, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vragen heeft gesteld die hebben geleid tot het arrest van het Hof van Justitie van 1 oktober 2020, X, C-331/19, ECLI:EU:C:2020:786 (hierna: het arrest X). Ten tijde van het doen van de aangiften voor de omzetbelasting over de betrokken tijdvakken in 2020 en 2021 was het voor belanghebbende dus kenbaar dat in de rechtspraak over de uitleg van post a.1 van Tabel I onduidelijkheid bestond, aldus het Hof.