Hoge Raad, 20-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:453, 24/02910
Hoge Raad, 20-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:453, 24/02910
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 maart 2026
- Datum publicatie
- 20 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:453
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:1198
- Zaaknummer
- 24/02910
Inhoudsindicatie
WOZ, Artikel 17 lid 3 Wet WOZ, Gecorrigeerde vervangingswaarde (Waardebepaling), Bewijslastverdeling, Richtsnoeren in taxatiewijzers.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/02910
Datum 20 maart 2026
ARREST
in de zaak van
STICHTING [X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE RIJSWIJK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, nr. BK-23/860, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/1652) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak te [Z] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak wordt gebruikt voor het geven van beroepsonderwijs voor de landbouw.
Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Rijswijk (hierna: de heffingsambtenaar) de waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2021 vastgesteld op € 2.920.000.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de waarde van de onroerende zaak, in overeenstemming met de door belanghebbende aanvankelijk bepleite waarde, moet worden vastgesteld op € 2.616.000. Alleen belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld.
In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar ter onderbouwing van de waarde een taxatierapport overgelegd waarin de gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2020 is bepaald op € 2.775.000.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een (herziene) taxatiekaart gecorrigeerde vervangingswaarde overgelegd waarin de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum 1 januari 2020 is bepaald op € 2.394.000. Ter zitting heeft belanghebbende nader het standpunt ingenomen dat de waarde van de onroerende zaak € 2.433.000 bedraagt.
Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ.
3 De oordelen van het Hof
Voor het Hof was onder meer in geschil of de door de Rechtbank op € 2.616.000 vastgestelde waarde van de onroerende zaak te hoog is.
Het Hof heeft overwogen dat belanghebbende in hoger beroep, in vergelijking met haar voor de Rechtbank ingenomen standpunt, nader heeft gesteld dat de waarde van de onroerende zaak € 2.433.000 bedraagt. Belanghebbende dient de door haar verdedigde waarde volgens het Hof daarom aannemelijk te maken.
Het Hof heeft verder overwogen dat belanghebbende ter ondersteuning van de door haar in hoger beroep voorgestane waarde een herziene taxatiekaart heeft overgelegd, waarin zij gebruik heeft gemaakt van de kengetallen uit taxatiewijzers. Bij alle gebouwen is belanghebbende afgeweken van de restwaardepercentages uit de voor de waardepeildatum 1 januari 2020 geldende Taxatiewijzer en kengetallen deel 1 Onderwijs (hierna ook: de Taxatiewijzer) en heeft zij een negatieve restwaarde in aanmerking genomen.
Het Hof heeft geoordeeld dat de partij die van de in een taxatiewijzer opgenomen kengetallen wil afwijken, daarvoor de gronden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken. Op belanghebbende rust dus de bewijslast van haar stelling dat door haar terecht is afgeweken van de Taxatiewijzer, aldus het Hof.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet in de op haar rustende bewijslast is geslaagd en aldus de door haar voorgestane waarde niet aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof heeft het oordeel van de Rechtbank over de waarde van de onroerende zaak in stand gelaten.