Home

Hoge Raad, 16-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:58, 24/04526

Hoge Raad, 16-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:58, 24/04526

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 januari 2026
Datum publicatie
16 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:58
Formele relaties
Zaaknummer
24/04526

Inhoudsindicatie

Veroordeling tot vergoeding proceskosten bij ongegrond hoger beroep bestuursorgaan.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/04526

Datum 16 januari 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GOUWE-RIJNLAND

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 november 2024, nr. BK 23/5331, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/80) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken, een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 en een aanslag in de watersysteemheffing voor het jaar 2021.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Het heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht. Aangezien dit stuk bij de Hoge Raad is ingediend na afloop van de daartoe op 6 februari 2025 gestelde termijn van vier weken, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht. De Hoge Raad slaat in verband hiermee evenmin acht op de reactie van het Dagelijks Bestuur op dit stuk.

2 Beoordeling van de in het principale cassatieberoep aangevoerde klacht

2.1

Het Hof heeft het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond verklaard en belanghebbende geen vergoeding voor proceskosten toegekend.

2.2

Belanghebbende klaagt terecht erover dat het Hof een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten in hoger beroep achterwege heeft gelaten. Indien het hoger beroep van het bestuursorgaan ongegrond is, dient dit orgaan als hoofdregel te worden veroordeeld in de kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit hoger beroep.2 In de uitspraak van het Hof is niet gemotiveerd waarom dat niet is gebeurd. De uitspraak is daarom in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

3 Beoordeling van de in het incidentele cassatieberoep aangevoerde klacht

De Hoge Raad heeft de klacht van het Dagelijks Bestuur over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Slotsom

5 Proceskosten

6 Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad

7 Beslissing