Hoge Raad, 10-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:586, 25/01557
Hoge Raad, 10-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:586, 25/01557
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 10 april 2026
- Datum publicatie
- 10 april 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:586
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2025:1602
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1399
- Zaaknummer
- 25/01557
Inhoudsindicatie
Invordering; art. 36 IW, art. 69 AWR, art. 5:44 Awb; aansprakelijkstelling voor naheffingsaanslagen loonheffingen, is het aansprakelijk stellen voor de vergrijpboete naast de strafrechtelijke veroordeling in strijd met het una-viabeginsel?
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/01557
Datum 10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 maart 2025, nrs. BK-ARN 23/1495 tot en met 23/14981, op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, (nrs. BRE 17/5071, 16/3532, 16/3533 en 17/5072) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor van [A] B.V. nageheven loonheffingen over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013, voor de daarbij voor de naheffing over het jaar 2013 opgelegde boete en voor de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente respectievelijk belastingrente, en betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor van [A] B.V. nageheven loonheffingen over de periode oktober 2013 tot en met februari 2014 en voor de daarbij opgelegde boetes.
1 Het eerste geding in cassatie
Bij arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:184, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020, nr. 19/001662, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Bij arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:185, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020, nrs. 19/00167 tot en met 19/001693, met verwijzing van het geding naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2 Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.C.J. Schoenmakers, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend en heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 19 december 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principale beroep in cassatie en gegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie.4
3 Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende was vanaf 2 mei 2011 bestuurder van [A] B.V. (hierna: de BV). Op grond van de uitkomsten van door de Inspecteur ingestelde boekenonderzoeken zijn aan de BV naheffingsaanslagen in de loonheffingen opgelegd over tijdvakken in de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013 en zijn beschikkingen heffingsrente respectievelijk belastingrente opgelegd. Daarbij is met betrekking tot de naheffing over tijdvakken in het jaar 2013 ook een vergrijpboete (hierna: de vergrijpboete 2013) opgelegd.
De hiervoor genoemde naheffingsaanslagen, vergrijpboete 2013 en rente zijn onbetaald gebleven. Daarop heeft de Ontvanger belanghebbende als bestuurder van de BV aansprakelijk gesteld voor deze onbetaald gebleven bedragen.
Bij onherroepelijk geworden strafvonnis van de Rechtbank Oost-Brabant van 16 december 2019 is belanghebbende veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan in de tenlastelegging omschreven verboden gedragingen. Deze bestonden onder meer uit het onvolledig of onjuist doen van aangiften voor de loonheffing. De Rechtbank heeft op dat punt bewezen verklaard dat:
“2. [de BV] op tijdstippen in de periode vanaf 4 april 2011 tot en met 24 januari 2013 in Nederland telkens opzettelijk, een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de aangiften loonheffing, over de tijdvakken januari 2011 tot en met december 2012 (DOC-002), onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen, terwijl dat feit er telkens toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid telkens hierin bestaan, dat in de elektronische aangiften betreffende die tijdvakken gelegen in de jaren 2011 en 2012 telkens een te laag bedrag aan loon en een te laag bedrag aan af te dragen loonheffing was vermeld, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);”