Home

Hoge Raad, 10-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:591, 25/02195

Hoge Raad, 10-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:591, 25/02195

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 april 2026
Datum publicatie
10 april 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:591
Formele relaties
Zaaknummer
25/02195

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting en belastingrente; art. 1, aanhef en letter a van het Besluit belasting- en invorderingsrente; Art. 104 Gr., legaliteitsbeginsel; art. 1 EP EVRM; evenredigheidsbeginsel; art. 2, lid 2 Bpb; vaststelling hoogte belastingrentepercentage; beschikking gegeven voordat verhoging rentepercentage in werking trad; legaliteitsbeginsel; EVRM; evenredigheidsbeginsel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/02195

Datum 10 april 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 mei 2025, nrs. 22/312 en 22/3131, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/9421 en BRE 20/9422) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, en een over het jaar 2016 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.G. van Laarhoven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 19 december 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.2

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Aan belanghebbende is een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de IB/PVV) voor het jaar 2015 opgelegd in overeenstemming met de door hem ingediende aangifte. Nadat die aanslag was vastgesteld, heeft belanghebbende een herziene aangifte voor dat jaar ingediend, waarin hij niet eerder aangegeven winst uit onderneming heeft verantwoord. De Inspecteur heeft naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag in de IB/PVV voor het jaar 2015 aan belanghebbende opgelegd. Bij die navorderingsaanslag is de Inspecteur uitgegaan van een te hoog bedrag aan inkomen uit werk en woning.

2.2

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze navorderingsaanslag en heeft daarbij verzocht om een kostenvergoeding op grond van artikel 7:15 Awb. De Inspecteur is bij zijn uitspraak aan het bezwaar tegemoetgekomen, maar heeft nagelaten daarbij een beslissing te nemen op het verzoek om een kostenvergoeding.

2.3

Belanghebbende heeft beroep bij de Rechtbank ingesteld en daarbij aangevoerd dat de bezwaarkostenvergoeding gelijktijdig met de uitspraak op bezwaar had moeten worden vastgesteld, en dat dit achterwege is gebleven. Daarna heeft de Inspecteur belanghebbende alsnog bij brief ervan in kennis gesteld dat aan hem een kostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend van € 261.

2.4

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

b) Navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2016 en belastingrente

2.5

Belanghebbende heeft aangifte voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: de Zvw) voor het jaar 2016 gedaan naar een bijdrage-inkomen van nihil. De Inspecteur heeft naar aanleiding daarvan geen aanslag in de Zvw voor het jaar 2016 aan belanghebbende opgelegd. Nadat de aanslagtermijn was verstreken, heeft belanghebbende een herziene aangifte voor de Zvw voor dat jaar ingediend, waarin hij niet eerder aangegeven winst uit onderneming heeft verantwoord. De Inspecteur heeft naar aanleiding daarvan met dagtekening 26 september 2020 een navorderingsaanslag in de Zvw over het jaar 2016 aan belanghebbende opgelegd. Bij die navorderingsaanslag is de Inspecteur uitgegaan van een te hoog bedrag aan bijdrage-inkomen.

2.6

Gelijktijdig met die navorderingsaanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een bedrag van € 194 aan belastingrente in rekening gebracht. Over de periode 1 juli 2017 tot 1 juli 2020 is deze belastingrente berekend naar het percentage van 4, dat in die periode volgens de toenmalige tekst van artikel 30hb, lid 1, AWR als minimumpercentage gold voor andere belastingen dan de vennootschapsbelasting. Volgens die bepaling was het percentage van de belastingrente voor deze belastingen gelijk aan de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente voor verbintenissen tot betaling van een geldsom in gevallen waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst, met dien verstande dat dit percentage ten minste 4 bedraagt. Over de periode 1 juli 2020 tot 1 oktober 2020 is de belastingrente berekend naar het percentage van 0,01, dat in die periode gold volgens de toenmalige tekst van artikel 30hb, lid 1, AWR. Over de periode 1 oktober 2020 tot en met 20 oktober 2020 is de belastingrente opnieuw berekend naar het percentage van 4, dat in die periode als minimumpercentage gold voor andere belastingen dan de vennootschapsbelasting. Dit was geregeld in het toenmalige artikel 1, aanhef en letter a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente (hierna: het Besluit), waarvan de tekst toen gelijkluidend was aan de zojuist vermelde, tot 1 juli 2020 geldende tekst van artikel 30hb, lid 1, AWR.

2.7

De wijziging van het Besluit waardoor het percentage van de belastingrente voor andere belastingen dan de vennootschapsbelasting opnieuw werd gesteld op minimaal 4, is op grond van het Besluit van 24 september 2020, Stb. 2020, 356, op 1 oktober 2020 in werking getreden.

2.8

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze navorderingsaanslag en de bijbehorende beschikking inzake belastingrente, en heeft daarbij verzocht om een kostenvergoeding op grond van artikel 7:15 Awb. De Inspecteur is bij zijn uitspraak aan het bezwaar tegen de navorderingsaanslag tegemoetgekomen, heeft de navorderingsaanslag verminderd en de belastingrente in verband daarmee nader vastgesteld op € 127, maar heeft nagelaten bij die uitspraak ook een beslissing te nemen op het verzoek om een kostenvergoeding.

2.9

Daarna, bij brief van 10 november 2020, heeft de Inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van de toegekende kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 261.

2.10

Belanghebbende heeft beroep bij de Rechtbank ingesteld en daarbij onder meer aangevoerd dat de bezwaarkostenvergoeding gelijktijdig met de uitspraak op bezwaar had moeten worden vastgesteld, en dat dit achterwege is gebleven. Verder heeft belanghebbende voor de Rechtbank aangevoerd dat de aan hem in rekening gebrachte belastingrente op een te hoog bedrag is vastgesteld.

2.11

De Rechtbank heeft ook dit beroep ongegrond verklaard en heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

3 De oordelen van het Hof

3.1

Voor het Hof was in geschil(1) of met betrekking tot de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2015 de vergoeding voor de kosten van het bezwaar door de Inspecteur op het juiste bedrag is vastgesteld,(2) of belanghebbende recht heeft op een vergoeding voor kosten van rechtskundige bijstand voor het beroep in eerste aanleg met betrekking tot die navorderingsaanslag, en(3) of de belastingrente met betrekking tot de navorderingsaanslag in de Zvw over het jaar 2016 tot het juiste bedrag in rekening is gebracht.

3.2

Wat betreft het onder (1) vermelde geschilpunt heeft het Hof beslist dat de vergoeding voor de kosten van het bezwaar, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, had moeten worden berekend op basis van het tarief van onderdeel B2, punt 2 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb). Het Hof heeft die vergoeding daarom vastgesteld op € 647.

3.3

Wat betreft het onder (2) vermelde geschilpunt heeft het Hof vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat het beroep in eerste aanleg met betrekking tot de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2015, gelet op de hiervoor in 3.2 weergegeven beslissing van het Hof, gegrond had moeten worden verklaard, dat belanghebbende daarom recht heeft op een vergoeding voor kosten van rechtskundige bijstand voor dit beroep, en dat die vergoeding € 1.133,75 dient te bedragen.

3.4.1

Wat betreft het onder (3) vermelde geschilpunt over de belastingrente is het Hof in de eerste plaats ingegaan op het betoog van belanghebbende dat een juridische basis ontbreekt voor berekening van het belastingrentepercentage van 4 over de periode van 1 oktober 2020 tot en met 20 oktober 2020. Belanghebbende voerde daartoe aan dat de beschikking inzake belastingrente is gegeven op 26 september 2020, dus voordat de verhoging van het rentepercentage van 0,01 naar 4 op 1 oktober 2020 in werking was getreden.

3.4.2

Het Hof heeft dit betoog verworpen. Naar het oordeel van het Hof kon op 26 september 2020, toen de wijziging van het percentage van de belastingrente nog niet in werking was getreden, in beginsel nog niet worden vooruitgelopen op een toekomstige wijziging, ook niet voor de rente over de periode vanaf 1 oktober 2020, zoals deze in de beschikking inzake belastingrente is opgenomen. Volgens het Hof bestaat in dit geval echter aanleiding om een uitzondering op dit beginsel te maken en moet daarom rekening worden gehouden met het inmiddels gewijzigde rentepercentage vanaf 1 oktober 2020. Daartoe heeft het Hof overwogen dat sprake was van een tijdelijke verlaging van het rentepercentage en dat ten tijde van het vaststellen van de belastingrentebeschikking reeds kenbaar was dat het rentepercentage met ingang van 1 oktober 2020 weer op 4 zou worden gesteld. Ook heeft het Hof zich in dit verband beroepen op het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1892 (hierna: het arrest van 2 oktober 2009). In dat arrest is de Hoge Raad ingegaan op de gevolgen van invoering of wijziging met terugwerkende kracht van een wettelijk voorschrift na de datum van de bestreden beslissing van het bestuursorgaan. Indien het nieuwe of gewijzigde voorschrift in aanmerking komt voor toepassing op het te berechten geval, brengt de taak van de rechter in belastingzaken volgens dit arrest mee dat hij bij de toetsing van die beslissing uitgaat van het nieuwe voorschrift. In de onderhavige zaak is geen sprake van terugwerkende kracht, aldus het Hof, maar van een situatie dat belastingrente wordt berekend over de periode die na de datum van vaststelling van de beschikking ligt. Dat verschil is volgens het Hof echter niet beslissend. Naar het oordeel van het Hof geldt de met name praktische benadering van de Hoge Raad bij zijn beslissing dat de rechter rekening moet houden met de gewijzigde wettelijke regeling, evenzeer voor een geval als het onderhavige.

3.4.3

Verder is het Hof ingegaan op het betoog van belanghebbende dat het minimumtarief van 4 procent voor de belastingrente op regelniveau een ontoelaatbare inbreuk maakt op de bescherming van het eigendomsrecht door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP). Het Hof heeft ook dit betoog verworpen. Het heeft vooropgesteld dat aan de wetgever op dit gebied een ruime beoordelingsmarge toekomt. Het minimumpercentage van 4 is naar het oordeel van het Hof niet dusdanig hoog dat de wetgever daarmee buiten deze ruime beoordelingsmarge is getreden. Verder is het Hof van oordeel dat het minimumpercentage – anders dan belanghebbende betoogt – niet uitsluitend is ingevoerd vanwege budgettaire motieven. De regeling van de belastingrente is bedoeld als prikkel om op tijd en juist aangifte te doen en/of een voorlopige aanslag aan te vragen, aldus het Hof.

3.4.4

Ook is het Hof ingegaan op het betoog van belanghebbende dat het sinds 1 oktober 2020 in artikel 1 van het Besluit neergelegde minimumpercentage in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het Hof heeft geoordeeld dat het Besluit op dit punt niet onverbindend is op grond van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het heeft daartoe onder meer overwogen dat de regeling van de belastingrente mede is bedoeld als prikkel om op tijd en juist aangifte te doen en/of een voorlopige aanslag aan te vragen.

3.5

Het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep. Het Hof heeft deze tegemoetkoming vastgesteld uitgaande van een factor 0,5 (licht) voor het gewicht van de zaak, en heeft toegelicht dat het hierbij toepassing heeft gegeven aan artikel 2, lid 2, van het Bpb.

4 Beoordeling van de middelen

5 Proceskosten

6 Beslissing