Home

Hoge Raad, 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:82, 24/02365

Hoge Raad, 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:82, 24/02365

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 januari 2026
Datum publicatie
23 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:82
Formele relaties
Zaaknummer
24/02365

Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/02365

Datum 23 januari 2026

ARREST

in de zaak van

GEMEENTE [X2] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2024, nr. 23/4851, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/3779) betreffende het door belanghebbende afgedragen bedrag aan loonheffingen over het tijdvak juni 2021.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Ginhoven en R. Bosma, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 14 maart 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.2

2 Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).3

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing