Hoge Raad, 06-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:84, 24/03064
Hoge Raad, 06-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:84, 24/03064
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 6 februari 2026
- Datum publicatie
- 6 februari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:84
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:2082
- Zaaknummer
- 24/03064
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen; art. 6.40, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001; aftrek persoonsgebonden scholingsuitgave; tijdstip betaling collegegeld na overboeking aan universiteit in het kader van aanvraag van een verblijfsvergunning met als doel studie.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03064
Datum 6 februari 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 juni 2024, nr. 23/5111, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 21/2492) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 6.2a, lid 1, Wet IB 2001.
1 Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.G. van Laarhoven, heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
2 Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende heeft de Indiase nationaliteit en is per 19 augustus 2015 als inwoner van Nederland ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Vanaf 19 augustus 2015 wordt belanghebbende in Nederland als binnenlandse belastingplichtige aangemerkt.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft aan belanghebbende een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd toegekend om een opleiding te kunnen volgen aan de Technische Universiteit Delft (hierna: de Universiteit). In verband hiermee diende belanghebbende voor aanvang van de aanvraagprocedure – vóór 1 juli 2015 – een bedrag over te maken aan de Universiteit.
Belanghebbende heeft op 25 juni 2015 een bedrag van € 23.760 bestaande uit het collegegeld van € 13.560 en de “Living allowance” van € 10.200 overgemaakt naar de bankrekening van de Universiteit.
De Universiteit heeft op 11 september 2015 het bedrag van de “Living allowance”, na aftrek van de kosten van de visumaanvraag, overgemaakt naar de Nederlandse bankrekening van belanghebbende.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 een bedrag van € 13.310 in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrek (scholingsuitgaven), als bedoeld in artikel 6.1, lid 1, Wet IB 2001 (tekst 2015; hierna: Wet IB 2001), in samenhang gelezen met artikel 6.1, lid 2, letter f, Wet IB 2001 en met artikel 6.27, lid 1, Wet IB 2001.
3 De oordelen van het Hof
Voor het Hof was in geschil of voor het jaar 2015 een bedrag van € 13.310 als scholingsuitgaven in aftrek kan worden gebracht. Meer specifiek was in geschil of de scholingsuitgaven zijn betaald gedurende de periode dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig is.
Het Hof heeft geoordeeld dat eerst op het moment van de definitieve inschrijving het collegegeld aan de Universiteit was verschuldigd. Naar het oordeel van het Hof volgt hieruit dat de betaling van belanghebbende op 25 juni 2015 aan de Universiteit het karakter heeft van een waarborgsom ter verkrijging van het verblijfsvisum. Die waarborgsom is daarom aan te merken als depotstorting die het vermogen van belanghebbende niet heeft verlaten en waarover hij vrijelijk kan beschikken, aldus het Hof.
Het Hof achtte aannemelijk dat de voldoening van het collegegeld heeft plaatsgevonden door verrekening op of omstreeks 11 september 2015. Niet in geschil is dat belanghebbende toen in Nederland binnenlands belastingplichtig was. Dit brengt mee dat hij voor het bedrag van het betaalde collegegeld recht heeft op een aftrek van scholingsuitgaven, aldus het Hof.
Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van immateriële schade, de vergoeding van het griffierecht en de proceskostenvergoeding, en heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd. Het Hof heeft op grond van onderdeel B2, punt 1, van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2024; hierna: het Besluit) de vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar vastgesteld op basis van een waarde per punt van € 310.
Voor de procedure in hoger beroep is het Hof uitgegaan van vijf samenhangende zaken. Het Hof heeft daarom de vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep voor de zaak van belanghebbende vastgesteld op een vijfde van de totale vergoeding.
4. Beoordeling van het in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel
Het middel richt zich tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het betoogt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 (hierna: het arrest van 12 juli 2024), dat het Hof nader had moeten motiveren waarom de hiervoor in 2.3 bedoelde overboeking door belanghebbende op 25 juni 2015 van een bedrag ter grootte van het verschuldigde collegegeld naar de bedoeling van partijen op dat moment niet strekte tot voldoening aan een verplichting die voortvloeit of zal voortvloeien uit een toen al bestaande rechtsverhouding tussen belanghebbende en de Universiteit ter zake van de betaling van het collegegeld.
Het middel slaagt, aangezien het Hof niet kenbaar heeft onderzocht of die overboeking is aan te merken als betaling op grond van een toekomstige betalingsverplichting als bedoeld in de tweede volzin van rechtsoverweging 4.2.1 van het arrest van 12 juli 2024. Voor het aannemen van een zodanige betaling is vereist dat op het moment waarop het geldbedrag werd overgemaakt een rechtsverhouding tussen partijen bestond waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit, en de overmaking van het geldbedrag naar de bedoeling van partijen ertoe strekte om van tevoren aan die verplichting te voldoen. Een overboeking van geld die niet is aan te merken als betaling in de zin van artikel 6.40, lid 1, letter a, Wet IB 2001, kan zich gelet op rechtsoverweging 4.2.2 van dat arrest slechts voordoen indien geld wordt overgemaakt zonder dat daaraan een bestaande of een dergelijke toekomstige betalingsverplichting ten grondslag ligt. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat een andere maatstaf heeft te gelden, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, had het nader moeten motiveren waarom het niet een betaling op grond van een toekomstige betalingsverplichting in de hiervoor bedoelde betekenis heeft aangenomen.
5. Beoordeling van de in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middelen
Het eerste middel richt zich tegen het hiervoor in 3.3 vermelde oordeel van het Hof over de hoogte van de vergoeding die aan belanghebbende is toegekend voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Volgens het middel dient de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te worden vastgesteld met toepassing van onderdeel B2, punt 2, van de Bijlage bij het Besluit vermelde oordeel van het Hof over de hoogte van de vergoeding die aan belanghebbende is toegekend voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Volgens het middel dient de kostenvergoeding voor de bezwaarfase te worden vastgesteld met toepassing van onderdeel B2, punt 2, van de Bijlage bij . Daarbij verwijst het middel naar het arrest van 12 juli 2024.
Het middel slaagt op de gronden vermeld in rechtsoverwegingen 5.8.1 en 5.8.2 van het arrest van 12 juli 2024.
Het tweede middel richt zich tegen het hiervoor in 3.4 vermelde oordeel van het Hof dat sprake is van vijf samenhangende zaken. Volgens het middel had het Hof niet moeten uitgaan van vijf, maar van vier samenhangende zaken. Door de gemachtigde van belanghebbende zijn vijf zaken aanhangig gemaakt over de vraag of in het jaar van immigratie sprake is van aftrekbare scholingsuitgaven. In een van die zaken is het beroep door het Hof ongegrond verklaard. In die zaak heeft het Hof geen proceskostenvergoeding toegekend. Volgens het middel moet die zaak daarom niet worden aangemerkt als een met de zaak van belanghebbende samenhangende zaak. Het middel betoogt dat eerst dient te worden beoordeeld of een zaak voor proceskostenvergoeding in aanmerking komt, en als dat zo is, moet voor die zaken worden bezien of sprake is van samenhangende zaken. Als sprake is van samenhangende zaken, moet bij vier of meer samenhangende zaken wegingsfactor 1,5 worden toegepast en daarna moet de berekende vergoeding worden verdeeld over de zaken die voor vergoeding in aanmerking komen. In dit geval had de totaal berekende kostenvergoeding dus moeten worden verdeeld over vier zaken in plaats van vijf, aldus het middel.
Het tweede middel slaagt ook. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar wat is overwogen in rechtsoverweging 3.6 van het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG7294 (hierna: het arrest van 19 december 2008).