Hoge Raad, 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:86, 23/04473
Hoge Raad, 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:86, 23/04473
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 23 januari 2026
- Datum publicatie
- 23 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:86
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2023:2227
- Zaaknummer
- 23/04473
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn; recht op vergoeding van griffierecht; toepassing van het overgangsrecht als omschreven in HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/04473
Datum 23 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
-
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
-
de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 oktober 2023, nr. BK-22/009281, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 20/6133) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Zowel de Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P1], als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op 4 december 2025 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek om vergoeding van immateriële schade. Aangezien deze reactie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
2 Uitgangspunten in cassatie
De Inspecteur heeft belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen opgelegd en daarbij een beschikking inzake belastingrente ten aanzien van belanghebbende gegeven. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 11 augustus 2022 het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag en de rentebeschikking verminderd, en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de kosten van tijdens de bezwaarfase en de beroepsfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Rechtbank heeft verder de Inspecteur veroordeeld tot het vergoeden van het door belanghebbende aan de Rechtbank betaalde griffierecht.
Belanghebbende had de Rechtbank verzocht om een vergoeding van immateriële schade wanneer de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het bezwaar en het beroep zou worden overschreden. Aangezien die termijn ten tijde van het wijzen van de uitspraak van de Rechtbank (11 augustus 2022) was overschreden en die overschrijding uitsluitend was toe te rekenen aan de beroepsfase, heeft de Rechtbank de Minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade.
Het Hof heeft – op het hoger beroep van de Inspecteur – geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd en dat de rentebeschikking in stand moet blijven. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, behoudens de beslissing over de vergoeding van immateriële schade. Het heeft het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard. In de omstandigheid dat de Rechtbank de hiervoor in 2.2.2 bedoelde vergoeding van immateriële schade heeft toegekend, heeft het Hof aanleiding gezien de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de kosten van in de beroepsfase aan belanghebbende beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Er is geen aanleiding voor vergoeding van het bij de Rechtbank betaalde griffierecht, aldus het Hof.
3 Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de eerste klacht over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
De tweede klacht ziet op het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof dat er geen aanleiding is voor het vergoeden van het door belanghebbende voor de beroepsfase betaalde griffierecht.
In zijn arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567 (hierna: het arrest van 31 mei 2024), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aanleiding tot het vergoeden van griffierecht niet kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de behandeling van het beroep, na het instellen daarvan, onredelijk lang heeft geduurd. De Hoge Raad is daarmee teruggekomen van eerdere rechtspraak over deze kwestie.2 Bij wijze van overgangsrecht heeft de Hoge Raad daarbij bepaald dat in een zaak waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dat arrest heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, en (ii) de redelijke termijn voor die fase van de procedure op de datum van het arrest is overschreden, een aanspraak op vergoeding van griffierecht wordt geëerbiedigd.
De tweede klacht slaagt. Belanghebbende heeft vóór de uitspraak van de Rechtbank op 11 augustus 2022 en dus vóór het arrest van 31 mei 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en, zoals hiervoor in 2.2.2 is overwogen, was de redelijke termijn ook vóór 31 mei 2024 overschreden. Belanghebbende had daarom volgens de tot 31 mei 2024 geldende rechtspraak van de Hoge Raad recht op vergoeding van het aan de Rechtbank betaalde griffierecht. Het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof dat er geen aanleiding is voor het vergoeden van het aan de Rechtbank betaalde griffierecht, geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg volledig is toe te rekenen aan de beroepsfase, dient de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te worden veroordeeld tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de beroepsfase.