Hoge Raad, 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:88, 24/00878
Hoge Raad, 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:88, 24/00878
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 23 januari 2026
- Datum publicatie
- 23 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:88
- Formele relaties
- In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:270
- Zaaknummer
- 24/00878
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; procesrecht; art. 8:75, lid 1, Awb; Besluit proceskosten bestuursrecht; vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het beroep; waarde per punt; HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752; gerechtshof had alleen de waarde per punt mogen aanpassen en niet de door de rechtbank vastgestelde wegingsfactor en het aantal proceshandelingen als daarover niet is geklaagd.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00878
Datum 23 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 januari 2024, nr. 22/009931, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/8342) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij geven beschikking inzake belastingrente.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door H. van Dam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] , als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
2 Uitgangspunten in cassatie
2.1.1 De Rechtbank heeft bij uitspraak van 29 maart 2022 het beroep van belanghebbende, gericht tegen de uitspraken op bezwaar betreffende een aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente, ongegrond verklaard.
2.1.2 Omdat de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het beroep was overschreden op de datum waarop de Rechtbank haar uitspraak deed, heeft de Rechtbank de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende en, in verband daarmee, ook tot vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de beroepsfase. Omdat uitsluitend een vergoeding van proceskosten wordt toegekend in verband met het honoreren van het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade, heeft de Rechtbank een wegingsfactor van 0,5 als bedoeld in onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022) aangewezen geacht. De Rechtbank heeft de vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022), in samenhang gelezen met punten 1 en 13 van onderdeel A1 en punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij dat besluit, vastgesteld op € 541, uitgaande van twee punten (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 541.
2.2.1 Belanghebbende heeft bij het Hof geklaagd over de hoogte van de hiervoor in 2.1.2 vermelde vergoeding. Zij stelde zich – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 (hierna: het arrest van 27 mei 2022) – op het standpunt dat de Rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding had moeten uitgaan van een waarde per punt van € 759 als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022).
2.2.2 Het Hof heeft bij uitspraak van 31 januari 2024 geoordeeld dat de Rechtbank, gelet op het arrest van 27 mei 2022, inderdaad is uitgegaan van het verkeerde bedrag per punt en dat het om die reden de proceskostenvergoeding opnieuw zal vaststellen.
2.2.3 Het Hof stelde vast dat de enige reden voor toekenning van de proceskostenvergoeding was gelegen in het feit dat de redelijke termijn was overschreden en dat om die reden de Staat is veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, terwijl het beroep van belanghebbende ongegrond was. Hiervan uitgaande en gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526 (hierna: het arrest van 10 november 2023), heeft het Hof de aan belanghebbende toe te kennen proceskostenvergoeding op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage (tekst 2024) vastgesteld op € 218,75, uitgaande van 1 punt, wegingsfactor 0,25 en een waarde per punt van € 875. Dit betekent dat de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding niet te laag is vastgesteld, aldus het Hof.
2.2.4 Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en geoordeeld dat er wat betreft het hoger beroep geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
3 Beoordeling van de middelen
Middel 4 bestrijdt de hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof dat de vergoeding van proceskosten voor de fase van beroep moet worden berekend uitgaande van 1 punt en een wegingsfactor 0,25. Volgens het middel had het Hof moeten uitgaan van twee punten zoals de Rechtbank heeft gedaan, en had het Hof ten minste wegingsfactor 0,5 moeten hanteren.
Middel 4 slaagt voor zover het aanvoert dat het Hof niet had mogen uitgaan van 1 punt en dat het Hof de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor 0,5 niet had mogen verlagen tot 0,25. Voor zover het hoger beroep van belanghebbende de door de Rechtbank toegekende proceskosten voor de beroepsfase betrof, werd enkel de toegepaste waarde per punt van € 541 bestreden. De Staat heeft in hoger beroep die waarde niet bestreden en heeft evenmin gesteld dat bij toepassing van een hogere waarde per punt dan € 541, het Hof de met inachtneming van die hogere waarde per punt opnieuw vast te stellen proceskostenvergoeding zou moeten matigen. Het stond het Hof daarom niet vrij om bij het – met inachtneming van de juiste waarde per punt – opnieuw vaststellen van die vergoeding, deze in het nadeel van de belanghebbende te wijzigen door ambtshalve het door de Rechtbank vastgestelde aantal punten en de wegingsfactor van de zaak te verlagen.2Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de Hoge Raad in het arrest van 10 november 2023 heeft beslist dat hij voortaan in zaken waarin het beroep in cassatie ongegrond wordt verklaard en een proceskostenvergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, tot uitgangspunt neemt dat een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 van toepassing is.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
De Hoge Raad stelt de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep vast op € 934, uitgaande van het door de Rechtbank vastgestelde aantal punten en wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt.3