Home

Hoge Raad, 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:90, 24/00911

Hoge Raad, 23-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:90, 24/00911

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23 januari 2026
Datum publicatie
23 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:90
Formele relaties
Zaaknummer
24/00911

Inhoudsindicatie

Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; procesrecht; art. 8:75, lid 1, Awb; art. 19a, lid 2, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992; Besluit proceskosten bestuursrecht; vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het beroep; waarde per punt; HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752; gerechtshof had alleen de waarde per punt mogen aanpassen en niet de door de rechtbank vastgestelde wegingsfactor en het aantal proceshandelingen als daarover niet is geklaagd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/00911

Datum 23 januari 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 februari 2024, nr. 22/011871, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 21/2163) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.1 De Rechtbank heeft bij uitspraak van 10 mei 2022 het beroep van belanghebbende, gericht tegen de uitspraken op bezwaar betreffende een aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de bpm) en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente, ongegrond verklaard.

2.1.2 Omdat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak voor de bezwaar- en beroepsfase was overschreden, heeft de Rechtbank belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend. Zij heeft de Inspecteur veroordeeld in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.De vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft de Rechtbank op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022), in samenhang gelezen met punten 1 en 13 van onderdeel A1 en punt 1 van onderdeel B1 van de bij dat besluit behorende bijlage, vastgesteld op € 541, uitgaande van 2 punten (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 541.

2.2.1 Belanghebbende heeft bij het Hof geklaagd over de hoogte van de hiervoor in 2.1.2 vermelde vergoeding. Hij stelde dat de Rechtbank, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 (hierna het arrest van 27 mei 2022), bij de berekening van de proceskostenvergoeding had moeten uitgaan van een waarde per punt van € 759 als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022).

2.2.2 Het Hof heeft bij uitspraak van 21 februari 2024 geoordeeld dat de Rechtbank, gelet op het arrest van 27 mei 2022, inderdaad is uitgegaan van het verkeerde bedrag per punt en dat het om die reden de proceskostenvergoeding opnieuw zal vaststellen.

2.2.3 Het Hof stelde vast dat de enige reden voor toekenning van de proceskostenvergoeding was gelegen in het feit dat de redelijke termijn was overschreden en dat om die reden de Staat (Hoge Raad: bedoeld zal zijn de Inspecteur) is veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, terwijl het beroep van belanghebbende ongegrond was. Hiervan uitgaande en gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526 (hierna: het arrest van 10 november 2023), heeft het Hof de aan belanghebbende toe te kennen proceskostenvergoeding op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage (tekst 2024) vastgesteld op € 218,75, uitgaande van 1 punt, wegingsfactor 0,25 en een waarde per punt van € 875. Dit betekent dat de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding niet te laag is vastgesteld, aldus het Hof.

2.2.4 Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en geoordeeld dat er wat betreft het hoger beroep geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

De klachten bestrijden het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof over de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Volgens de klachten had het Hof moeten uitgaan van twee punten zoals de Rechtbank heeft gedaan, en had het Hof ten minste wegingsfactor 0,5 moeten hanteren.

3.2

Deze klachten slagen. Voor zover het hoger beroep van belanghebbende de door de Rechtbank toegekende proceskosten voor de beroepsfase betrof, werd enkel de toegepaste waarde per punt van € 541 bestreden. De Inspecteur heeft in hoger beroep de waarde niet betwist en heeft evenmin gesteld dat bij toepassing van een hogere waarde per punt dan € 541, het Hof de met inachtneming van die hogere waarde per punt opnieuw vast te stellen vergoeding zou moeten matigen.Onder deze omstandigheden stond het het Hof niet vrij om bij het – met inachtneming van de juiste waarde per punt – opnieuw vaststellen van die vergoeding voor de beroepsfase, die vergoeding in het nadeel van de belanghebbende te wijzigen door ambtshalve de door de Rechtbank vastgestelde wegingsfactor voor het gewicht van de zaak te verlagen en het in aanmerking te nemen aantal proceshandelingen te verminderen.2Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de Hoge Raad in het arrest van 10 november 2023 heeft beslist dat hij voortaan in zaken waarin het beroep in cassatie ongegrond wordt verklaard en een proceskostenvergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, tot uitgangspunt neemt dat een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 van toepassing is.

3.3

De Hoge Raad heeft ook de andere klacht over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.4.1

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.4.2

De Hoge Raad stelt de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep vast op € 934, uitgaande van het door de Rechtbank vastgestelde aantal punten en wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt.3

4 Proceskosten

5 Beslissing