Home

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 13-01-2022, ECLI:NL:OGEAM:2022:2, SXM202100391

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 13-01-2022, ECLI:NL:OGEAM:2022:2, SXM202100391

Gegevens

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Datum uitspraak
13 januari 2022
Datum publicatie
17 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:OGEAM:2022:2
Zaaknummer
SXM202100391

Inhoudsindicatie

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd omdat bij de definitieve aanslag teveel ingehouden loonbelasting was verrekend. Belanghebbendes beroep op het ontbreken van een nieuw feit wordt verworpen omdat op grond van artikel 13, lid 2 van de Algemene landsverordening landsbelastingen ook zonder nieuw feit nagevorderd kan worden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt ook verworpen omdat belanghebbende redelijkerwijs moest beseffen dat de aanslag tot een te laag bedrag was opgelegd. Het beroep is om andere redenen gegrond verklaard. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten, maar het Gerecht acht aannemelijk dat de opgevoerde kosten deels voor andere doeleinden zijn gemaakt en bovendien acht het Gerecht de gevraagde vergoeding niet redelijk. Het Gerecht stelt de proceskostenvergoeding in goede justitie vast.

Uitspraak

Uitspraak van 13 januari 2022

BBZ nr. SXM202100391

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 van:

[Belanghebbende], wonende te Nederland,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Sint Maarten,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 17 oktober 2019 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2015 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 111.869 en een bedrag aan ingehouden loonbelasting van NAf 30.287. De navorderingsaanslag is daarbij, na verrekening van de reeds opgelegde aanslag van negatief NAf 15.642, vastgesteld op NAf 10.866.

1.2

Belanghebbende heeft op 10 december 2019 tegen de navorderingsaanslag bezwaar gemaakt.

1.3

Belanghebbende heeft op 24 maart 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.

1.4

De Inspecteur heeft op 11 juni 2021 een verweerschrift met producties ingediend.

1.5

Belanghebbende heeft op 22 juli 2021 een conclusie van repliek ingediend.

1.6

De Inspecteur heeft op 9 september 2021 een conclusie van dupliek ingediend.

1.7

De zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2021 te [Q]. Namens belanghebbende is verschenen [A], verbonden aan [Q]. Namens de Inspecteur is verschenen [B] en [C].

1.8

De Inspecteur heeft daags na de zitting een nader stuk ingediend en tevens doen toekomen aan belanghebbende. Het Gerecht ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en zal het stuk niet tot de gedingsukken rekenen.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende was in 2015 als, door Nederland uitgezonden, controle-ambtenaar werkzaam bij de [X] Sint-Maarten.

2.2

Belanghebbende heeft op 8 april 2016 de aangifte inkomstenbelasting 2015 ingediend naar een belastbaar inkomen van NAf 111.369 en een bedrag van NAf 41.153,31 aan ingehouden loonbelasting. Als bijlage bij de aangifte heeft hij een loonbelastingkaart 2015 (hierna: jaaropgaaf 2015) gevoegd met daarin de bovenvermelde bedragen.

2.3

Op 24 januari 2019 heeft belanghebbende een e-mail gestuurd naar de Inspecteur, mevrouw van [G], met (onder meer) de volgende tekst:

“Ik heb nog 1 persoonlijke vraag aan je. Ik ben al enige tijd bezig om uit te vinden of mijn IB 2015 nog geregeld gaat worden of niet. (…). Gezien de jaaropgaaf (…) kan ik mij voorstellen dat men met deze aangifte in de maag zit, maar hij ligt er nu eenmaal wel. Kun jij misschien eens kijken of er iets aan te doen valt?”

2.4

Op 29 januari 2019 heeft mevrouw van [G], per e-mail gereageerd met (onder meer) de volgende tekst:

“Ik heb trouwens geïnformeerd bij de collega’s gevraagd wat de reden is voor de oponthoud in de aanslag regeling van je aangifte IB 2015.

(…)

Volgens wat ik van de ARA’s begrijp zou je als de aangifte op dit moment wordt geregeld, zonder de juiste berekening toe te passen, een veels te hoge teruggave krijgen. We moeten dus de aanslag op de juiste wijze bepalen. Ik heb in ieder geval de administratie gevraagd voor je dossier en aangifte zodat ik de juiste aanslag kan bepalen. Ik laat je weten wat het wordt.

(…).

Als ik nog meer informatie nodig heb mail ik je.”

2.5

Op 19 maart 2019 heeft de Inspecteur, de heer [naam inspecteur], een e-mail naar belanghebbende gestuurd met (onder meer) de volgende tekst:

“De ingehouden loonbelasting lijkt aan de hoge kant in verhouding tot het loon. Ik heb bij de afdeling Lonen & Salaris het e.e.a. opgevraagd om te checken wat er precies is gebeurt.”

2.6

Op 18 april 2019 heeft de aanslagregelend ambtenaar aan belanghebbende meegedeeld dat zijn aangifte inkomstenbelasting 2015 geregeld is. Met dagtekening 28 juni 2019 is de definitieve aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2015 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 111.869 en een bedrag aan ingehouden loonbelasting van NAf 41.153, resulterend in een teruggaaf van NAf 15.652. Daarbij is uitgegaan van de door belanghebbende bij de aangifte gevoegde jaaropgaaf (zie 2.2).

2.7

Op 2 augustus 2019 heeft de afdeling Lonen & Salaris een aantal ‘payroll’-gegevens over 2015 met betrekking tot belanghebbende aan de inspecteur verstrekt. Die gegevens laten een bedrag aan ingehouden loonbelasting zien van NAf 30.674 in plaats van NAf 41.153.

2.8

Op grond van die gegevens heeft de Inspecteur op 17 oktober 2019 voor dit verschil een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2015 opgelegd. De Inspecteur heeft daarbij niet een bedrag van NAf 30.674 als ingehouden loonbelasting in aanmerking genomen maar een bedrag van NAf 30.287, zodat de navorderingsaanslag is vastgesteld op NAf 10.866.

2.9

Tot de stukken van het geding behoort een door belanghebbende ingebrachte loonslip over december 2015. Hierin zijn naast de maandgegevens ook de loon(belasting)gegevens over het gehele jaar opgenomen. Voor zover hier van belang zijn de volgende jaarbedragen vermeld:

800 Wagetax 22.935.52

805 Wagetax extra earnings 1.992.07

810 Expatriate tax calculation 21.345,67

810 Retro Expatriate tax calculation 10.866,26 -/-

810 Wagetax flat amount 5.746.31

900 Net pay 111.195,96.

2.10

Met belanghebbende is de afspraak gemaakt dat de werkgever de loonbelasting voor haar rekening neemt. Het bedrag van NAf 21.345,67 is het berekende bedrag aan loonbelasting dat de werkgever in 2015 voor haar rekening heeft genomen. Het bedrag van NAf 10.866,26 betreft een uitbetaling in maart 2015 van in de jaren daarvoor teveel ingehouden loonbelasting.

2.11

Tot de stukken van het geding behoort naast de jaaropgaaf 2015 ook de jaaropgaaf 2014. Hierop staat een bedrag aan loon vermeld van NAf 112.794 en een bedrag van NAf 25.229,41 aan ingehouden loonbelasting.

3 GESCHIL

3.1

In geschil is of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

3.2

In de conclusie van dupliek (de Inspecteur) en ter zitting (belanghebbende) hebben partijen verklaard dat in werkelijkheid een bedrag van NAf 30.674 aan loonbelasting is ingehouden. In zoverre is er geen geschil meer. Echter, belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur geen navorderingsaanslag kan opleggen omdat een nieuw feit ontbreekt en omdat het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel geschonden zijn. Hij concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag.

3.3

De Inspecteur is van mening dat geen nieuw feit nodig is om een navorderingsaanslag op te kunnen leggen en dat geen sprake is van schending van het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. Hij concludeert tot handhaving van de navorderingsaanslag.

4 OVERWEGINGEN

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

6 DE BESLISSING