Home

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 27-06-2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:327, CUR2020H00029 tot en met CUR2020H00032

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 27-06-2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:327, CUR2020H00029 tot en met CUR2020H00032

Gegevens

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
27 juni 2021
Datum publicatie
3 september 2021
ECLI
ECLI:NL:OGHACMB:2021:327
Zaaknummer
CUR2020H00029 tot en met CUR2020H00032

Inhoudsindicatie

In het onderhavige geval is de vraag of belanghebbende voor het jaar 2011 terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar en of de navorderingsaanslagen voor de jaren 2013 en 2014 en de boetes voor de jaren 2012 tot en met 2014 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. De aanslagbiljetten voor het jaar 2011 zijn gedagtekend op 28 december 2018. De bezwaarschriften zijn op 12 september 2017 ingediend, dus ruim 15 maanden vóór de dagtekening van de aanslagbiljetten. Gelet hierop zijn de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen en boetes over het jaar 2011 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor wat betreft de navorderingsaanslagen 2013 en 2014 is het Hof van oordeel dat de niet verantwoorde omzet van [de NV] als winstuitdeling richting belanghebbende is gevloeid en dat terecht en tot de juiste bedragen navorderingsaanslagen zijn opgelegd. Het Gerecht oordeelt dat opzettelijk middelen aan [de NV] zijn onttrokken om belanghebbende in zijn hoedanigheid van aandeelhouder te bevoordelen, dat door deze onttrekkingen niet in de aangiften inkomstenbelasting op te nemen sprake is van opzet. Het Hof sluit zich op voorgenoemde punten aan bij het oordeel van het Gerecht. Het Hof oordeelt dat de Inspecteur zich bij het opleggen van de boete niet heeft gehouden aan de voorwaarden van art. 22 lid 1 en lid 2 ALL en dat daarom de zorgvuldigheidsnorm is geschonden. Het Hof vermindert om die reden de boetes tot 20%.

Uitspraak

Uitspraak

CUR2020H00029 tot en met CUR2020H00032

Datum uitspraak: 27 juni 2021

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Belanghebbende],

wonende te Curaçao,

belanghebbende,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 20 december 2019 in de zaak BBZ nr. CUR201803923 tot en met CUR201802932 en CUR201804112 tot en met CUR201804114, in het geding tussen:

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen.

1 Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 28 december 2018 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ over het jaar 2011 opgelegd naar een belastbaar en premie-inkomen van NAf 332.386. Daarbij zijn boetes opgelegd van NAf 11.485 (IB) en NAf 588 (AVBZ).

1.2.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 4 augustus 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premies AOV/AWW en premie AVBZ over het jaar 2012 opgelegd

naar een belastbaar en premie-inkomen van NAf 106.703. Daarbij zijn boetes opgelegd van NAf 3.187 (IB), NAf 729 (AOV/AWW) en NAf 173 (AVBZ).

1.3.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 28 juli 2017 en 4 augustus 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premies AOV/AWW en premie AVBZ over

het jaar 2013 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 82.660 en premie­

inkomens van NAf 76.866 (AOV/AWW) en NAf 88.072 (AVBZ). Daarbij zijn boetes opgelegd van NAf 1.312 (IB), NAf 623 (AOV/AWW) en NAf 80 (AVBZ).

1.4.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 4 augustus 2017 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premies AOV/AWW, premie AVBZ en premie BVZ over het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar en premie-inkomen van NAf 77.790. Daarbij zijn boetes opgelegd van NAf 2.923 (IB), NAf 1.672 (AOV/AWW), NAf 211 (AVBZ) en NAf 1.271 (BVZ).

1.5.

Belanghebbende heeft op 12 september 2017 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen en de boetes.

1.6.

De Inspecteur heeft bij uitspraak van 28 september 2018 het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen en boetes voor het jaar 2011 beschouwd als een bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en AVBZ 2011, het bezwaar afgewezen en de aanslagen gehandhaafd. Voor wat betreft de overige uitspraken op bezwaar van 28 september 2018 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen en de boetes gehandhaafd.

1.7.

Belanghebbende heeft op 21 november 2018 beroepen ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor NAf 50 aan griffierecht betaald.

1.8.

Het Gerecht heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.9.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Daarbij is NAf 200 aan griffierecht betaald.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens op het verweerschrift gereageerd.

1.10.

De zitting heeft plaatsgehad op 1 december 2020 te Willemstad.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door [A], alsmede namens de Inspecteur [B] en [C].

Mr. J. Snitker, lid van het Hof, heeft door middel van een videoverbinding deelgenomen aan de zitting.

1.11.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Het Gerecht heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1.

Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van [de NV] (hierna: de NV). Deze NV verhuurt reclameborden.

2.2.

Bij de NV is een boekenonderzoek ingesteld over de jaren 2011 tot en met 2014. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van 17 oktober 2016. Daarin is onder meer het volgende opgemerkt:

“4.3.2 Omzet

(…)

Jaar 2011

De omzet volgens de jaarrekening sluit niet aan met de omzet volgens het grootboek. Het verschil is 235.236. Het verschil is als volgt:

2011

Omzet volgens de jaarrekening

236.302

Omzet volgens het grootboek

Huuropbrengst billboards

26.297

Opbrengst billboards

401.449

Buitengewone baten

43.792

Totaal omzet volgens grootboekrekeningen

471.538

471.538

Verschil inclusief OB

235.236

Belastingplichtige heeft voorgenoemde verschil (235.236) als kapitaalstorting verwerkt (onder sub 3e van het aangiftebiljet WB). ( ... )

Reactie

De heer [A] heeft mij een nieuwe jaarrekening over het jaar 2011 verstrekt met de verklaring dat dit de juiste jaarrekening betreft. Hierin blijkt een omzet van 427.747. ( ... ) In de reactiebrief d.d. 18 augustus 2016 (...) vermeldt de heer [A] dat een tikfout is geslopen ter zake van de omzet. De juiste cijfers zijn volgens hem in de nieuwe jaarrekening en hij verklaarde verder dat dit geen gevolgen heeft voor het fiscaal eindresultaat. De omzet volgens de nieuwe jaarrekening is 235.237 hoger dan de omzet volgens de ingediende jaarrekening. Het nettoresultaat volgens de nieuwe jaarrekening is negatief 39.651, terwijl het resultaat volgens de ingediende jaarrekening negatief 274.888 was. Hierbij is een verschil van 235.237 geconstateerd. Dit verschil van 235.237 is ook hetgeen belastingplichtige heeft aangemerkt als een kapitaalstorting. (...)

Jaar 2012

Over het jaar 2012 is geen grootboek beschikbaar. Voor de controle van de volledigheid van de omzet heb ik de bankontvangsten opgeteld. Bij de aansluiting van de omzetverantwoording volgens de jaarrekening met de bankontvangsten heb ik een verschil van 34.521 inclusief OB geconstateerd. (...)

Ik stel voor om bovenstaande verschillen aan te merken als niet verantwoorde omzet en te verwerken als uitdeling van winst.

4.3.3.

Opbrengstgegevens van derden

Op grond van artikelen (...) van de ALL heeft de SBAB de wettelijke bevoegdheid om informatie bij derden op te vragen.

In verband met deze controle is derden onderzoek uitgevoerd over de jaren 2011 tot en met 2014 bij:

1. United Telecommunication Services (UTS).

2. Centrale Hypotheekbank NV (CHB).

3. RBC Royal Bank NV.

Over de jaren 2011, 2013 en 2014 is geconstateerd dat de verantwoorde opbrengst volgens derden onderzoek niet aansluit met dat wat is verantwoord in de administratie van belastingplichtige. (...) De totaal niet verantwoorde omzet over de jaren (...) 2013 en 2014 bedragen als volgt (...) 15.900 en 35.128.

Belastingplichtige kon de berekende verschillen niet verklaren. (...) Ik stel voor om bovenstaande verschillen aan te merken als niet verantwoorde omzet en als uitdeling van winst. (...) Het saldo behoort niet meer tot het vermogen van belastingplichtige, met andere woorden het saldo heeft het vermogen van belastingplichtige definitief verlaten. Omdat [belanghebbende] binnen belastingplichtige alle beslissingen neemt is het onder de gegeven omstandigheden het meest waarschijnlijk dat hij de gelden in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft ontvangen. (...)

4.4

Recapitulaties

Met inachtneming van de correcties zoals genoemd in bovenstaande onderdelen, kom ik tot de volgende recapitulaties:

Onderdeel

2011

2012

2013

2014

(…)

(…)

(…)

(…)

(…)

4.3.2

Omzet

235.236

34.567

4.3.3

Opbrengstgegevens derden

15.900

35.128

4.3.4

Boekwinst op verkoop bedrijfsauto

6.662

2.3.

Naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek zijn de winsten van de NV weliswaar gecorrigeerd, maar hebben deze correcties niet geleid tot een positieve winst voor de jaren 2011 tot en met 2013. Naar de Inspecteur ter zitting heeft verklaard zijn daarom geen aanslagen winstbelasting voor die jaren opgelegd. Verder heeft de Inspecteur ter zitting verklaard dat de correctie voor het jaar 2014 wel heeft geleid tot een positieve winst, dat voor dat jaar een aanslag winstbelasting aan de NV is opgelegd en dat daartegen geen bezwaar is gemaakt.

2.4

Het boekenonderzoek is eveneens aanleiding geweest om onderhavige navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premieheffing aan belanghebbende op te leggen. De Inspecteur heeft daarbij de hiervoor in onderdeel 4.4 van het rapport vermelde winstcorrecties bij de NV, als (verkapte) winstuitdeling tot het belastbaar inkomen van belanghebbende gerekend.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep zijn de volgende vragen aan de orde:

I. Is belanghebbende voor wat betreft het jaar 2011 terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar?

IIa. Zo ja, zijn de navorderingsaanslagen voor de jaren 2013 en 2014 en de boetes voor de jaren 2012 tot en met 2014 terecht en tot de juiste bedragen opgelegd?

of:

IIb. Zo nee, zijn de navorderingsaanslagen voor de jaren 2011, 2013 en 2014 en de boetes voor de jaren 2011 tot en met 2014 terecht en tot de juiste bedragen opgelegd?

Belanghebbende beantwoordt de vragen I en IIa/IIb ontkennend; de Inspecteur beantwoordt genoemde vragen bevestigend.

3.2.

Ter zitting van het Hof heeft het Hof belanghebbende gevraagd of hij nog opkomt tegen de navorderingsaanslagen voor het jaar 2012, gegeven het feit dat belanghebbende tijdens de zitting van het Gerecht heeft aangegeven dat hij met de correcties voor het jaar 2012 geen problemen heeft en er derhalve sprake lijkt te zijn van het uitdrukkelijk en ondubbelzinnig instemmen met de navorderingsaanslagen voor het jaar 2012. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende herhaald dat hij tegen de navorderingsaanslagen voor het jaar 2012 niet opkomt. Belanghebbende komt nog wel op tegen de (hoogte van de) boetes die ter zake van de navorderingsaanslagen voor het jaar 2012 zijn opgelegd.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Gerecht, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van alle navorderingsaanslagen (behoudens de navorderingsaanslagen voor het jaar 2012).

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht.

4 Het oordeel van het Gerecht

5 Gronden

6 Beslissing