Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 12-06-2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:143, SXM2023H00091
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 12-06-2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:143, SXM2023H00091
Gegevens
- Instantie
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum uitspraak
- 12 juni 2025
- Datum publicatie
- 25 juni 2025
- ECLI
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:143
- Zaaknummer
- SXM2023H00091
Inhoudsindicatie
Boekencontrole – omkering bewijslast – winstcorrectie
Uitspraak
Uitspraak
SXM2023H00091
Datum uitspraak: 12 juni 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[Belanghebbende], gevestigd te Sint Maarten,
appellant in hoger beroep (hierna: belanghebbende),
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 30 juni 2023 in de zaak BBZ nr. SXM202000843, in het geding tussen belanghebbende en:
de inspecteur der belastingen zetelend in Sint Maarten,
verweerder in hoger beroep (hierna: de Inspecteur).
1 Procesverloop
Aan belanghebbende is op 28 december 2018 een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 2013 opgelegd naar een belastbare winst van NAf 347.983, resulterend in een verschuldigde winstbelasting van NAf 120.054. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van respectievelijk NAf 30.013 (25%).
Belanghebbende heeft daartegen op 20 februari 2019 bezwaar gemaakt.
Op 10 september 2020 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
Het Gerecht heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard, het beroep tegen de naheffingsaanslag winstbelasting 2013 gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van NAf 58.056 en de boete dienovereenkomstig verminderd tot NAf 14.514. De Inspecteur is daarbij veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 700 en opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 150 te vergoeden.
Belanghebbende heeft bij brief van 29 augustus 2023 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht.
De Inspecteur heeft geen verweerschrift in hoger beroep ingediend.
Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van het Gerecht ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.
Het Hof heeft de zaak, gelijktijdig met de zaken van belanghebbende met nummers SXM2022H00149 tot en met SXM2022H00153, SXM2023H00009 en SXM2023H00010 en van [belanghebbende 1] (SXM2023H00006 tot en met SXM2023H00008, SXM2023H00086 en SXM2023H00087), [belanghebbende 2] (SXM2023H00011 en SXM2023H00012) en [belanghebbende 3] (SXM2023H00053 tot en met SXM2023H00056), ter zitting te Philipsburg behandeld op 21 mei 2024, waar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende, [A], [B], [C] en [D], alsmede [K] en [L], namens de Inspecteur. Al hetgeen in één zaak is gezegd moet als herhaald en ingelast worden beschouwd in de andere zaken.
Ter zitting hebben beide partijen een pleitnota, belanghebbende met bijlagen, overgelegd en voorgedragen. De pleitnota’s met bijlagen zijn, zonder bezwaren van de wederpartij, toegevoegd aan de stukken van het geding.
Aan het eind van de behandeling van het hoger beroep is het onderzoek ter zitting gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende exploiteerde van 2012 tot en met 2014 een handelsonderneming in cosmetica en elektronica. Directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende is [P] hierna: [P]). Belanghebbende heeft haar activiteiten in het jaar 2014 beëindigd.
P] is tevens directeur en enig aandeelhouder van [belanghebbende 3] en van [belanghebbende 2] Daarnaast houdt [P] 60% van de aandelen in [belanghebbende 1] De overige 40% van de aandelen in die vennootschap worden gehouden door [F]. Beide aandeelhouders waren directeur van laatstbedoelde vennootschap.
Tot het dossier behoort een rapport boekenonderzoek gedateerd 31 januari 2018 met betrekking tot de loonheffingen en BBO over de jaren 2012 tot en met 2014. Daarin is over de BBO – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“(...)
Alle bedragen in dit rapport zijn in Nederlands Antilliaanse guldens (NAf) tenzij anders is aangegeven. De omrekenkoers van dollars is NAf 1,80.
(...)
Omschrijving bedrijf
Belastingplichtige dreef een handelsonderneming waar de volgende handelsgoederen verkocht werden:
- verzorgingsproducten;
- parfums;
- haarproducten.
Belastingplichtige maakte deel uit van een concern genaamd ‘[H]’.
(..)
De onderneming had twee verkooppunten in de Back Street te Sint Maarten. Er was een hoofdvestiging ([locatie 1]) en een filiaal ([locatie 2]; toentertijd genaamd ‘[CC]’). (...)
Ingediende aangiften
Vóór de aankondiging van het onderzoek waren door belastingplichtige/inhoudingsplichtige voor zover relevant voor dit onderzoek, de volgende aangiften ingediend:
- LB van de periode januari 2013 tot en met december 2014;
- BBO van de periode januari 2012 tot en met december 2014.
Eerder ingesteld boekenonderzoek
(...) Het ingestelde boekenonderzoek had ten doel het vaststellen van de aanvaardbaarheid van de aangiften:
- WB over de jaren 2008 tot en met 2011
- BBO over de jaren 2008 tot en met 2011
Tijdens dit boekenonderzoek werd geconstateerd dat vele gebreken toonde waaronder:
1. Er werd geen kasadministratie gevoerd.
2. Aan het eind van het jaar werd de omzet van de kas verhoogd ter voorkoming van negatief kassaldo. (...)
3. (...)
4. De omzet conform de aangiften BBO sloot niet aan bij de omzet verantwoord in de administratie (...)
5. De grootboekadministratie sloot niet aan met de ingediende jaarcijfers 2008 tot en met 2011.
Naar aanleiding hiervan werden de volgende afspraken gemaakt met belastingplichtige:
- Vanaf 1 december 2013 diende belastingplichtige een gedegen kasadministratie te voeren zodat de kasontvangsten dagelijks verantwoord worden in de administratie. (...)
- (...)
Financiële administratie
De financiële administratie werd bijgehouden met behulp van het pakket Quick Books door Prudential Small Business Services NV. (..)
(...)
Administratieplicht
Op basis van artikel 43, lid 2 ALL zijn administratieplichtigen onder andere gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf naar de eisen van dat bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen evenals de voor de heffing van de belasting overigens van belang zijnde gegevens, hieruit duidelijk blijken.
Tijdens het onderzoek is gebleken dat op de volgende onderdelen niet is voldaan aan de hiervoor omschreven verplichting:
1. Omdat de omzet voor een groot deel per kas werd ontvangen, diende belastingplichtige een sluitende kasadministratie te voeren. Uit de volgende constateringen blijkt dat dit niet het geval was:
Er werd geen kasboek bijgehouden.
In de grootboekrekening van de kas (Cash) werd de contante omzet met 1
totaalbedrag per maand geboekt.
2. De gelieerde bedrijven hadden onderling transacties met elkaar zonder rekening te hebben gehouden dat ieder NV los van elkaar staat.
3. In de grootboekrekening van de inkopen (Purchases) in de jaren 2012 en 2013 werd een totaalbedrag met de omschrijving ‘Trade Payable’ geboekt waarvan geen onderbouwing is.
4. Er werden geen saldilijsten van de crediteuren opgesteld.
5. Er werd geen administratie bijgehouden van de onderlinge leveringen van goederen.
(...)
Op basis van het voorgaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de administratieplicht ingevolge artikel 43, lid 2 ALL. In dit verband heb ik belastingplichtige gewezen op artikel 30, lid 6 ALL, de zogenaamde omkering bewijslast.
Bewaarplicht
Op basis van artikel 43, leden 2 en 6 ALL zijn administratieplichtigen verplicht hun administratie en de daartoe behorende gegevensdragers gedurende 10 jaar te bewaren.
Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat het volgende deel van de administratie niet is bewaard:
het grootboek over het jaar 2014;
de bankafschriften van de jaren 2012 tot en met 2014;
de kostenfacturen van water en elektra over het jaar 2013;
de kostenfacturen van telefoon over het jaar 2013;
de boeken waarin de dagomzet werd vastgelegd over de maanden januari en oktober 2013 van beide vestigingen;
de inkoopfacturen over december 2013;
de exportdocumenten over de controlejaren.
Op basis van het voorgaande concludeer ik dat niet is voldaan aan de bewaarplicht ingevolge artikel 43, leden 2 en 6 ALL. In dit verband heb ik belastingplichtige gewezen op artikel 30, lid 6 ALL, de zogenaamde omkering bewijslast.
Factureringsplicht
Ik heb geconstateerd dat belastingplichtige niet heeft voldaan aan de factureringsplicht. Volgens artikel 44 ALL is belastingplichtige hiertoe wel verplicht.
lk heb geconstateerd dat bij belastingplichtige in ieder geval de volgende onderdelen van de kassastrook ontbraken of niet aan de eisen voldeden:
1. naam en adres van de belastingplichtige die de levering of de dienst verricht;
2. het door de Belastingdienst toegekende registratienummer (CRIB-nummer) van degene die de levering of de dienst verricht.
Oordeel administratie
Naast de in de onderdelen 3.4 "Administratieplicht, 3.5 “Bewaarplicht" en 3.6 "Factureringsplicht" genoemde bevindingen heb ik het volgende geconstateerd:
- De brutowinstmarge over het jaar 2012 conform de ingediende jaarrekening (90%) wijkt sterk af van die van de jaren 2013 (68%) en 2014 (57%). Belastingplichtige heeft geen verklaring hiervoor kunnen geven.
- De omzet volgens de jaarrekening over de controlejaren sluit niet aan met de omzet volgens de aangiften BBO.
De in dit hoofdstuk genoemde bevindingen ten aanzien van de administratie en administratieve verplichtingen hebben gevolgen voor de in dit onderzoek betrokken belastingaangiften. (..)
Naar aanleiding van de in dit hoofdstuk genoemde bevindingen zijn opmerkingen gemaakt. Deze opmerkingen zijn in onderdeel 8.1 van dit rapport opgenomen.
(..)
5 BELASTING OP BEDRIJFSOMZETTEN
Algemeen
Belastingplichtige exploiteerde een handelsonderneming, die zich bezighield met het verkopen van verzorgingsproducten, parfums en haarproducten. Over de gerealiseerde bedrijfsomzet is BBO verschuldigd.
(...)
Omzetbenadering
Algemeen
Op basis van de geconstateerde gebreken in de administratie en het niet volledig voldoen aan de bewaar- en administratieplicht overeenkomstig de ALL concludeer ik dat de gevoerde administratie zodanig ernstige gebreken vertoont dat deze niet kan dienen als betrouwbare basis voor de omzetberekening.
Op grond van artikel 30, lid 6 ALL is er sprake van de zogeheten omkering van de bewijslast omdat de vereiste aangifte niet is gedaan of omdat niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 43 ALL. Het gevolg hiervan is dat de op te leggen aanslagen bij een uitspraak op eventuele bezwaarschriften zullen worden gehandhaafd tenzij blijkt dat en in hoeverre de aanslagen onjuist zijn.
Om de omzet in het controletijdvak op een zo juist en redelijk mogelijke wijze te bepalen zal ik de omzet corrigeren in overeenstemming met wat hierna wordt beschreven.
Aanpak
Volgens de adviseur wordt de omzet geboekt aan de hand van de stortingen op de bank. Belastingplichtige beschikt over 2 bankrekeningen in USD en 2 bankrekeningen in ANG bij de Winward Islands Bank (WIB). De omzet wordt geboekt op basis van ontvangsten via credit- en debitcard (grootboekrekening: Creditcard Sales) en de stortingen van de contante ontvangsten (grootboekrekening: Cash Sales). De managers draaien dagelijks de Z-afslagen uit, doen de afrekening met de kassier en storten de contant ontvangen gelden dagelijks op de bank. Hierbij laat men contant geld achter in de kassa voor de volgende dag. De dagomzet wordt tevens vastgelegd. (...)
Tijdens het onderzoek is gebleken dat over de controlejaren sprake is van niet verantwoorde omzet. Dit wordt afgeleid uit het volgende:
Ik heb de afrekeningsprocedure getoetst door deze na te gaan over de maanden februari, augustus, september en december 2012 en ook januari en oktober 2013. Uit deze toetsing is het volgende gebleken:
- Belastingplichtige heeft over al deze maanden van beide vestigingen geen enkele Z-afslag van de zondag overlegd (met uitzondering van de Z-afslagen van 19 februari, 16 december en 23 december 2012 van Lucky 1). In de boeken staat dat de vestigingen op die dagen soms gesloten waren. Opmerkelijk is echter dat ook vaak op zondag een ontvangst wordt genoteerd in de boeken. Vreemd is dat hierbij geen afrekening wordt genoteerd zoals de rest van de dagen (maandag t/ zaterdag).
- Het totaal van deze overgelegde Z-afslagen (dus zonder zondagen) over de getoetste maanden in 2012 sluiten aan met de omzet volgens de boeken (met wat niet materiele verschillen). De omzet volgens de boeken sluit aan met de geboekte en aangegeven omzet in de jaarrekening (de omzet van december conform de boeken is voor een materieel bedrag hoger dan het grootboek/jaarrekening). Hieruit kan dus geconcludeerd worden dat belastingplichtige de omzet van zondagen niet heeft meegenomen in de omzetverantwoording.
- In de boeken van [locatie 1] worden de datums van 12, 13 en 14 februari 2012 handmatig gewijzigd naar 13, 14 en 15 februari 2012. De datum 12 februari was op een zondag. Dit is heel opmerkelijk.
- De boeken van 2013 voor de toetsing van maanden januari en oktober zijn niet overlegd.
- Uit de doorlopende nummering van de Z-afslagen blijkt dat op zondag Z-afslagen zijn gedraaid en dus is het aannemelijk dat de vestigingen open waren. Tevens blijkt uit de Creditcard sales dat op zondagen de vestigingen open waren (gezien er op die dagen ontvangsten zijn).
- Uit de analyse blijkt dat de contant ontvangen omzet bij de vestigingen op zondagen niet op de zakelijke bank wordt gestort en ook niet geboekt en verantwoord wordt.
- De hierboven beschreven handelswijze is ook geconstateerd bij de controle van een gelieerd bedrijf die dezelfde activiteiten verrichte ([belanghebbende 1]).
(...)
De adviseur heeft verklaard dat de hoogseizoenmaanden voor belastingplichtige van december tot en met april en juli zijn en dat de laagseizoenmaanden, mei, juni en augustus tot en met november zijn. Uit de analyse van de aangegeven omzet per maand blijkt echter dat de maand mei ook tot de hoogseizoenmaanden behoort. (...)
Uit een analyse van de enkele dagen in februari 2012 blijkt dat de verhouding van de omzetontvangsten via credit-/debitcard en in contanten, 20/80 is. Voor de berekening van de omzetcorrectie ben ik uitgegaan van een gemiddelde dagomzet in aftrek van ontvangsten via credit-/debitcard van 20% (deze werden al verwerkt in de omzet van maandag).
(...)
Jaar 2013
Voor de maanden januari tot en met mei, juli en december ben ik uitgegaan van de gemiddelde dagomzet van mei. Voor de maanden april, juni, augustus tot en met november ben ik uitgegaan van de gemiddelde dagomzet van augustus.
(...)
Voor de berekening van de omzet in de jaren 2012 en 2013 verwijs ik naar bijlage 5.
(...)
Te kwade trouw
Een belastingplichtige is te kwader trouw indien zij ten aanzien van een feit de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Van opzet is sprake als belastingplichtige willens en wetens een onjuiste of onvolledige aangifte indient. Onder opzet valt ook voorwaardelijk opzet. Dit houdt in dat belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat een onjuiste aangifte zou worden gedaan en dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen).
Uit de volgende feiten en omstandigheden blijkt dat dit het geval was:
De managers in de winkel registreren de omzet van zondagen nauwelijks in de boeken (primaire vastlegging). Soms wordt niets opgeschreven en soms wordt slechts één bedrag op zondag opgeschreven. Dit manier van registreren is totaal verschillende vergeleken met de andere dagen. Bij de registratie van de omzet op maandag tot en met zaterdag worden ontvangsten (zowel contant als giraal) en contante stortingen geregistreerd. Deze handelwijze is door belastingplichtige aan de managers opgelegd. Deze specifieke handelwijze is ook geconstateerd bij de managers van gelieerd bedrijf [belanghebbende 1].
Uit de bankafschriften blijkt dat op de meeste zondagen omzet is gedraaid gezien de giraal ontvangsten (credit- en debitcard) terwijl deze niet zijn vastgelegd in de primaire bescheiden (boeken). Tevens zijn de meeste Z-afslagen van zondagen niet overlegd. Uit de doorlopende nummering van afslagen van zaterdagen en maandagen ontbreekt elke keer een afslag (die van zondag) die niet is overlegd. De contante ontvangsten van zondagen worden niet op de bank gestort met als gevolg dat deze ook niet zijn opgenomen in de omzet.
Tevens werd belastingplichtige tijdens een vorig onderzoek (..) gewezen op enige gebreken in haar administratie. Deze gebreken (waaronder het houden van een kasadministratie) is ten tijde van dit onderzoek niet hersteld.
Op basis van bovengenoemde feiten concludeer ik dat belastingplichtige te kwader trouw is. Conform artikel 17 lid 2 ALL vervalt de bevoegdheid van de inspecteur tot het opleggen van een naheffingsaanslag door verloop van tien jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan (in plaats van vijf jaar).
Opmerking
Ik zal in een apart schrijven de Inspecteur WB informeren over de berekende meer omzet. (...)
(...)
7 BOETEN
(...)
BBO
De voorgestelde naheffingsaanslagen BBO over de jaren 2012 tot en met 2014 zijn het gevolg van de handelswijze van belastingplichtige. Belastingplichtige heeft te weinig BBO aangegeven en/of voldaan.
De aard van de correcties en de feiten die ten grondslag liggen aan de correcties zoals beschreven in het hoofdstuk 5 van het rapport, zijn zodanig dat de belastingplichtige wist dat hij onjuist handelde of dat belastingplichtige bewust het risico heeft genomen onjuist te handelen. Belastingplichtige heeft de contante dagomzet van zondagen niet aangegeven. Het is niet aannemelijk dat de belastingplichtige hiervan niet op de hoogte was gezien deze handelwijze bij beide filialen plaatsvond. Tevens zijn er diverse gebreken geconstateerd in de administratie terwijl belastingplichtige al tijdens het vorige onderzoek hierop gewezen werd. Belastingplichtige heeft willens en wetens onjuist aangifte gedaan, inde veronderstelling dat de Inspectie der Belastingen de onjuistheid niet zou zien. Ik ben dan ook van mening dat door deze onjuiste handelwijze sprake is van (voorwaardelijke) opzet van belastingplichtige.
Op grond van artikel 21 ALL juncto artikel 7, lid 2 MBAB stel ik u voor gelijktijdig met de naheffingsaanslagen BBO over de jaren 2012 tot en met 2014 zoals vermeld in het hoofdstuk 6 van het rapport een vergrijpboete op te leggen van 50%.
De grondslag voor de vergrijpboete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat niet (tijdig) is betaald, voor zover dit een gevolg is van (voorwaardelijke) opzet van belastingplichtige.
(...)
Pseudo-samenloop
Op grond van artikel 7, lid 5 MBAB wordt de hoogste boete gehandhaafd en worden de overige boeten elk verminderd tot de helft indien op grond van een samenhangend complex van feiten over enig belastingjaar terzake van meerdere belastingmiddelen aanslagen met een vergrijpboete door de Inspecteur worden opgelegd die uiteindelijke drukken op één belastingplichtige/inhoudingsplichtige. (...)
8 SLOTOPMERKINGEN
Opmerkingen
Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn de volgende opmerkingen gemaakt:
- In het onderdeel “Administratieplicht” heb ik geconstateerd dat belastingplichtige niet heeft voldaan aan haar administratieplicht. Belastingplichtige heeft daarmee artikel 43 ALL overtreden. Door deze overtreding is belastingplichtige strafbaar op basis van artikel 49 ALL (..).
- In het onderdeel “Bewaarplicht” heb ik geconstateerd dat belastingplichtige niet heeft voldaan aan haar bewaarplicht. Belastingplichtige heeft daarmee artikel 43 ALL overtreden. Door deze overtreding is belastingplichtige strafbaar op basis van artikel 49 ALL (..).
- In het onderdeel “Factureringsplicht” heb ik geconstateerd dat belastingplichtige niet heeft voldaan aan haar factureringsplicht. Belastingplichtige heeft daarmee artikel 44 ALL overtreden. Door deze overtreding is belastingplichtige strafbaar op basis van artikel 49 ALL (..).
(...)
Standpunt belastingplichtige en akkoordverklaring
De bevindingen en gevolgen van het onderzoek werden door middel van het conceptrapport (3 januari 2018) kenbaar gemaakt aan belastingplichtige. Belastingplichtige heeft tot heden niet gereageerd op het conceptrapport. Doordat bepaalde feiten zich ook hebben voorgedaan in de controle van gelieerd bedrijf [belanghebbende 1] (..) is in dit rapport rekening gehouden met het standpunt van belastingplichtige op die specifieke feiten.
(...)
Bijlage 5 / Omzetberekening
Jaar 2013
Gemiddelde dagomzet van mei 2013 is:
Omzet 101,346
Aantal dagen (excl zondag) 27 (31 dagen - 4 zondagen)
Gemiddelde dagomzet 3,754
Periode januari tot en met mei, juli en december 30 zondagen
Omzetcorrectie 112,620
Gemiddelde dagomzet van augustus 2012 is:
Omzet 117,050
Aantal dagen (excl zondag) 27 (31 dagen - 4 zondagen)
Gemiddelde dagomzet 4,335
Periode juni tot en met november (excl juli) 22 zondagen
Omzetcorrectie 95,370
Het totaal van de omzetcorrectie is
Periode januari tot en met mei, juli en december 112,620
Periode juni tot en met november (excl juli) 95,370
Totaal USD 207,990
Af: 20% Creditcard en Maestro 41,598
Correctie USD 166,392
De Inspecteur heeft in overeenstemming met de bevindingen in het rapport onder meer naheffingsaanslagen BBO voor de jaren 2013 en 2014 opgelegd, alsmede de daarmee samenhangende vergrijpboeten. Het Gerecht heeft bij uitspraak van 30 november 2022 deze naheffingsaanslagen en boeten in stand gelaten.
Per heden heeft het Hof in het hoger beroep tegen de in 2.4. vermelde uitspraak van het Gerecht haar oordeel met betrekking tot de omzetcorrecties over de jaren 2013 en 2014 bevestigd.
De omzetcorrecties hebben ertoe geleid dat de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag WB 2013 en de daarop betrekking hebbende vergrijpboete heeft opgelegd. De Inspecteur heeft de belastbare winst voor het jaar 2013 als volgt vastgesteld:
|
2014 |
|
|
Aangegeven belastbare winst |
NAf 48.477 |
|
Winstcorrectie |
NAf 299.506 |
|
Belastbare winst |
NAf 347.983 |
Van de boekencontroles bij de zustervennootschappen zijn controlerapporten uitgebracht op 31 januari 2018 ([belanghebbende 1]) 16 maart 2018 ([belanghebbende 2]) en 31 augustus 2018 ([belanghebbende 3]). Bij belanghebbende en de zustervennootschappen was voor de controlejaren de heer [I] de administrateur.
In hoger beroep heeft belanghebbende onder meer een rapport van [advieskantoor M] en ondertekend door [X] van 12 juni 2023 (“een updated rapport”) overgelegd. In deze brief is het volgende opgenomen:
“[belanghebbende 3] has engaged [advieskantoor M]. to review the gross margins applied for [belanghebbende 3] in order to assist the company in its discussions with the tax authorities of Sint Maarten in determining taxable amount of the company and its subsidiaries. (..)
We analyzed 52 items currently sold by [belanghebbende 3] in 2023. This is a fair representation of the products sold by [belanghebbende 3] (..)
In other words, to simplify and summarize all the calculations we can inform you that the average realized gross margin of above-mentioned calculations of a purchased good of $ 100.00 result in an average sale price of $ 129,77 or approx. 30% which is a common percentage.”
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de in 1.1 vermelde naheffingsaanslag winstbelasting over het jaar en de daarop betrekking hebbende vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag alsmede de daarmee samenhangende vergrijpboete dient te worden vernietigd, danwel dat de vergrijpboete naar gelang van de aanslag wordt verminderd. Belanghebbende bestrijdt dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard en bestrijdt, onder verwijzing naar het rapport van [advieskantoor M], dat de brutowinstmarges door de Inspecteur juist zijn vastgesteld, De bij het Gerecht ingenomen stelling met betrekking tot de onbevoegde vertegenwoordiging door [I] wordt in hoger niet meer betrokken.
De Inspecteur is van mening dat de aanslag en de vergrijpboete tot het juiste bedrag zijn opgelegd.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op wat zij ter zitting hebben bijgebracht.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Gerecht, de aanslag en de vergrijpboete. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht.