Home

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba), 19-06-1986, BS1731, 1986-010

Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba), 19-06-1986, BS1731, 1986-010

Gegevens

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
19 juni 1986
Datum publicatie
12 september 2011
ECLI
ECLI:NL:ORBBNAA:1986:BS1731
Zaaknummer
1986-010

Uitspraak

BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP

19 juni 1986

1986-010

Gezien het op 6 december 1985 bij de Raad ingekomen beroepschrift van E NV., h.o.d.n. B, gevestigd en kantoorhoudende op Curaçao (hierna verder te noemen: belanghebbende), gericht tegen de beschikking van de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen op Curaçao, d.d. 19 november 1985, no. TZ-604 A, hiertoe strekkende:

dat de Raad de beschikking waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw beslissende zal bepalen dat belanghebbende in aanmerking komt voor toepassing van artikel 128 lid 1 onder 6 sub h van de Algemene Verordening I.U. & D. 1908 (P.B. 1949/62) en op grond van lid 7 van voornoemd artikel recht heeft op restitutie van betaalde invoerrechten;

Gezien het op 5 februari 1986 bij de Raad ingekomen vertoogschrift van de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen;

Gezien de namens belanghebbende aan de Raad gezonden brief, dd. 12 maart 1986, waarbij werd meegedeeld dat belanghebbende afziet van het indienen van een verweerschrift, met verzoek op de stukken te willen beslissen.

Gelet op de behandeling van de zaak ter zitting van de Raad op 29 mei 1986, alwaar is verschenen de heer C namens de Inspecteur, terwijl de belanghebbende niet is verschenen;

Gezien de overige stukken;

OVERWEGENDE:

Belanghebbende is tijdig en op de voorgeschreven wijze in beroep gekomen zodat hij daarin ontvankelijk is.

Belanghebbende, die het autoverhuurbedrijf uitoefent, is van mening dat zij voldoet aan het gestelde in artikel 128 lid 1 onder 6 sub h van de Algemene Verordening I.U. & D. 1908, inhoudende dat van heffing van invoerrecht zijn vrijgesteld automobielen voor personenvervoer, ingevoerd uitsluitend voor de uitoefening van een (beroep of) bedrijf en tegen een bepaald tarief steeds opengesteld voor een ieder die daarvan gebruik wenst te maken. Belanghebbende is derhalve van oordeel dat de Inspecteur ten onrechte afwijzend heeft beschikt op haar verzoek tot restitutie c.q. vrijstelling van invoerrechten van huurauto’s. Ter ondersteuning van haar standpunt voert belanghebbende het volgende aan:

a) Weliswaar kan belanghebbende geen huurauto-exploitatie-vergunning overleggen als bedoeld in artikel 5.1 van PB 1973/41 doch een dergelijke vergunning behoeft zij niet voor de uitoefening haar autoverhuurbedrijf i.t.t. de exploitant van taxi’s. Evenmin kan belanghebbende een autobus-exploitatie-vergunning overleggen daar zij nu eenmaal geen autobussen exploiteert. Vrijstelling van de heffing van invoerrecht kan te goeder trouw / danook niet o.g.v. het niet overleggen van zo’n vergunning worden geweigerd.

b) Voor geval Uw Raad mocht vermenen dat in casu o.g.v. meerbedoelde art. 5.1 wel zo’n vergunning mag worden geëist dan is belanghebbende van oordeel dat het hier in dit artikel bepaalde voor belanghebbende onverbindend is, houdende dat artikel alsdan immers een beperking in op het bepaalde in de Alg. Verord. I.U. & D. 1908 en niet een voorschrift omtrent de wijze van toepassing van de vrijstelling als waartoe art. 128 lid 7 de Regering een vrijheid geeft, daar art. 128.l.6°.h algemeen bepaalt dat de daar genoemde automobielen vrijgesteld zijn van een heffing van invoerrecht en de Alg. Verord. van hogere orde is dan het landsbesluit h.a.m. en alsdan met die verord. in strijd komt.

c) Ook zij nog opgemerkt dat de Inspecteur terzake met twee maten meet doordien hij bij bief van 12 juni 1984 heeft beslist dat op de naamloze vennootschap D Inc. N.V., h.o.d.n A, het bepaalde in art. 128.1.6° sub h wel van toepassing is - terwijl die vennootschap evenmin een huurauto-exploitatie-vergunning heeft - en derhalve door deze vennootschap — die hetzelfde bedrijf uitoefent als belanghebbende - automobielen met vrijstelling van de heffing van invoerrecht kunnen worden ingevoerd.(Prod. VI)

d) Het onder c) hiervoor gestelde is ook in overeenstemming met de op dit stuk door de directeur van het Departement van. Economische Zaken op 9 november 1984 aan belanghebbende medegedeelde met bevestiging daarvan op gelijke datum door de Inspecteur (Mr. G), inhoudende dat een interpretatie van meergenoemd artikel 128.1.6° sub h thans meebrengt dat niet alleen voor taxi’s - als in het verleden - doch ook voor autoverhuurbedrijven als die van belanghebbende vrijstelling van de heffing van invoerrechten wordt verleend. De Inspecteur zegde zelfs toe dat binnen een week (na 9 november 1984) restitutie zou plaats vinden en wel vanaf 1 januari 1983, zij het in drie termijnen.

De Inspecteur stelt in zijn vertoogschrift hiertegenover:

Het geschil loopt over een vraag of een vrijstelling van artikel 128 lid 1 sub 6 letter h juncto artikel 5 van P.B. 1973 no. 41 ook omvat de automobielen, die door autoverhuurbedrijven, de zogenaamde “Car Rentals”, tegen voorafgaande storting van een flinke borgsom, doorgaans voor enkele dagen, soms voor maanden worden verhuurd.

Volgens artikel 128 eerste lid sub 6, onder h, van een Verordening I.U. & D. 1908 zijn van de heffing van invoerrechten vrijgesteld:

“automobielen voor personenvervoer, ingevoerd uitsluitend voor de uitoefening van een beroep of bedrijf en tegen een bepaald tarief steeds opengesteld voor een ieder die daarvan gebruik wenst te maken”.

Artikel 5 van het uitvoeringsbesluit dd. 27 februari 1973 (P.B. 1973, no. 41) geeft nader aan, de voorwaarden waaraan moet worden voldaan, alvorens de vrijstelling in kwestie wordt verleend.

Artikel 5 van genoemd besluit luidt als volgt:

Voor de toepassing van artikel 128, eerste lid, sub 6, onder h dient de belanghebbende:

1. zijn huurauto- danwel zijn autobus- exploitatie-vergunning over te leggen;

2. aan te tonen dat een betreffende reeds eerder vrijgestelde auto:

a. met betaling van invoerrechten is doorverkocht;

b. danwel volledig is afgeschreven;

c. danwel tenminste 4 jaar in gebruik is geweest.

Appellante oefent een autoverhuurbedrijf uit.

De exploitatie van het bedrijf bestaat uit het verhuren van automobielen op een contractuele basis na voorafgaande storting van een flinke borgsom.

Beziet men de redaktie van art.128, eerste lid, sub 6, letter h, van de Algemene Verordening I.U. & D. 1908 in samenhang met die van artikel 5, van P.B. 1973, no. 41, dan valt op, dat de wetgever nergens de woorden:

“verhuur van automobielen”, gebruikt.

De woorden, die wel door de wetgever worden gebruikt luiden als volgt:

(voor zover hier van belang) ”steeds opengesteld voor een ieder, die daarvan gebruik wenst te maken”.

Nergens en ook niet uit de wordingsgeschiedenis van deze wet is af te leiden dat aan de woorden: “steeds opengesteld voor een ieder die daarvan gebruik wenst te maken”, een zeer ruime opvatting zou moeten worden toegekend, opdat ook de op basis van contract voor langere periode verhuurde automobielen voor personenvervoer mede onder de vrijstelling in kwestie worden begrepen.

In ogenschouw moet worden genomen de strekking van deze vrijstelling, die geen andere kan zijn dan een economisch zwakkere Taxi- en A.C.-buschauffeurs van de heffing van invoerrechten vrij te stellen.

Het bovenstaande blijkt uit de wordingsgeschiedenis van deze wet, waarbij o.a. besprekingen zijn gevoerd tussen de toenmalige Regering (1971) en vertegenwoordigers der Taxi’s- en A.C.-busjesbonden, die een zeer moeilijke periode doormaakten en in verband. met de aangekondigde drastische verhoging van het bijzonder invoerrecht op benzine in een nog moeilijker positie dreigden te geraken.

In dit verband kan het zeker niet de bedoeling zijn geweest, om de autoverhuurbedrijven, die niet direkt door de verhoging van het invoerrecht worden getroffen, doordat de benzine door de huurder zelf wordt betaald, ook voor een vrijstelling in aanmerking te doen komen.

Bijgaande brief dd. l5 april 1971 no. 618, waarbij het uitvoeringsbesluit, van artikel 128 (destijds) zevende lid, (thans) eerste lid, sub 6 letter h van de Algemene Verordening I.U. & D. 1908 wordt aangeboden aan een Minister van Financiën, met de uitdrukkelijke verwijzing naar de invoerrechtenvrijstelling met betrekking tot Taxi’s- en A.C.-busjes, doet dit evenmin veronderstellen.

Uit de derde alinea van de brief in kwestie, waar vermeld staat:

“Deze vrijstelling is opgenomen in de voorstellen ter socialisering van de invoerrechten” valt ook niet te concluderen, dat de verhuurbedrijven onder deze regeling vallen.

Het feit dat de toenmalige Inspecteur bewust en uitsluitend met de vertegenwoordiging der Taxi- en A.C.-bussenbonden, de vrijstelling in kwestie op kamer 17 van deze Inspectie heeft besproken, wijst er ook glashelder op dat de autoverhuurbedrijven absoluut niet van deze regeling mogen profiteren.

Appellante is van mening, dat is voldaan aan de voor het verkrijgen van de voor het verkrijgen van de vrijstelling gestelde voorwaarden en bepalingen.

Hieraan staat zijn inziens niet in de weg de omstandigheid dat appellante geen huurauto of A.C. Busje exploitatie vergunning kan overleggen.

Het blijkt appellante echter te ontgaan dat de wetgever het overleggen van een huurauto (taxi) of een A.C.-busje exploitatie-vergunning, uitdrukkelijk als voorwaarde in artikel 5 van P.B. 1973,

no. 41. heeft vereist wil men voor een vrijstelling in kwestie in aanmerking komen.

Uit het voorgaande blijkt dat appellante zich aldus in wezen begeeft op het terrein van de wetgever die aan de hand van door hem relevant geachte factoren beslist over de al dan niet te stellen voorwaarden.

Zo er nog twijfel mocht bestaan omtrent de woorden “automobielen voor personenvervoer”, in samenhang met de woorden “steeds opengesteld”, moet, nu in de wetgeving op de invoerrechten (en accijnzen) een voor een toepassing daarvan geldende begripsomschrijving van genoemde woorden ontbreekt, het ervoor worden gehouden dat de wetgever deze woorden heeft gebezigd in de zin die in het maatschappelijk verkeer daaraan beantwoordt.

Welnu, naar normaal spraakgebruik pleegt men op de Nederlandse Antillen doorgaans onder de combinatie van woorden: “automobielen voor personenvervoer” en “steeds opengesteld”, te verstaan Taxi’s en A.C.-bussen en denkt men zelfs niet in de verste verte aan autoverhuurbedrijven.

De beweringen van appellante als zou de Inspecteur met twee maten meten en dat de Directeur van het Departement van Economische Zaken en de voormalige Inspecteur al dan niet verkeerde inlichtingen aan appellante zouden hebben verstrekt, lijken m.i. onwaarschijnlijk, maar worden in dit stadium van het geschil in het midden gelaten, daar in casu door de Raad van Beroep zal moeten worden uitgemaakt welke waarde kan worden toegekend een door genoemde ambtenaren verstrekte inlichtingen.

Vast staat dat de vrijstelling in kwestie tot op heden nimmer is toegekend aan autoverhuurbedrijven, de zogenaamde “Car Rentals”, maar enkel en alleen aan “Taxi”- en A.C.-bussenvergunninghouders onder overlegging van de betrokken exploitatievergunning. Aan de hand van het voorgaande kan noch op grond van een geldende tekst van artikel 128, eerste lid, sub 6, letter h. noch krachtens het gelijkheidsbeginsel of vermeende, gedane toezegging c.q. opgewekte vertrouwen, een door appellante verzochte vrijstelling van de heffing van invoerrecht of/restitutie van vermeend ten onrechte betaalde invoerrechten worden verleend.

Bij de behandeling van de zaak is namens de Inspecteur overgelegd een afschrift van zijn brief, d.d. 26 februari 1986, waarbij de door belanghebbende bedoelde brief van 12 juni 1984 is ingetrokken.

De Raad is van oordeel dat de tekst van artikel 128 lid 1 onder 6 sub h wellicht ruimte lijkt te bieden voor de door belanghebbende voorgestane interpretatie, maar dat de strekking van deze bepaling, zoals deze is te leiden uit de memorie van toelichting, doorslaggevend is. Uit die memorie van toelichting (zitting 1970-1971 no. 53, zitting 1971-1972 no. 5? zitting 1972-1973 no. 49) blijkt duidelijk dat de strekking van het artikel is om slechts ten behoeve van, taxi- en buschauffeurs een invoerrechtvrijstelling te creëren voor door hen voor hun beroep of bedrijf ingevoerde autoriobielen voor personenvervoer. Alsdan is ook het betoog van belang.