Parket bij de Hoge Raad, 17-05-1989, ECLI:NL:PHR:1989:16, 2317
Parket bij de Hoge Raad, 17-05-1989, ECLI:NL:PHR:1989:16, 2317
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 17 mei 1989
- Datum publicatie
- 19 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1989:16
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1990:ZC8556
- Zaaknummer
- 2317
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Bezwaarschrift tegen dagvaarding. Beschikking hof inhoudende dat verdachte buiten vervolging wordt gesteld t.z.v. verdenking van belastingfraude op de grond dat OM n-o is in zijn vervolging. 1. Toetsing ontvankelijkheid OM in bezwaarschriftprocedure. Kon hof de strafvervolging in volle omvang toetsen aan Richtlijnen voor opsporing en vervolging van belastingdelicten? 2. Interpretatie van begrip “onderzoeksperiode” in Richtlijn. Mocht hof bij beoordeling van ontvankelijkheid OM gegevens betrekken, die door verdachte waren verstrekt over jaar 1984, nu periode waarbinnen verdachte te weinig belasting zou hebben betaald liep tot en met jaar 1983?
Ad 1 en 2. Richtlijn OM Belastingdienst (Stcrt. 1985, 15) moet worden beschouwd als “recht” a.b.i. art. 99 RO. Deze Richtlijn bevat immers door PG’s bij hoven vastgestelde en behoorlijk bekend gemaakte regels omtrent uitoefening van beleid van OM, die weliswaar niet kunnen gelden als algemeen verbindende voorschriften omdat zij niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid zijn gegeven maar die OM wel o.g.v. beginselen van behoorlijke procesorde binden en die zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast (vgl. HR RvdW 1990.77).
Hof heeft, door te oordelen dat uitkomsten betreffende jaar 1984 in onderzoeksperiode moeten worden begrepen nu daarop betrekking hebbende stukken in voorbereidend onderzoek zijn betrokken en deel uitmaken van strafdossier, het in Richtlijn gehanteerde begrip “onderzoeksperiode” onjuist uitgelegd. In aanmerking genomen dat ingevolge Richtlijn voor keuze tussen strafrechtelijke afdoening en interne afdoening door belastingdienst een bedrag aan te weinig geheven belasting en/of premie gedurende onderzoeksperiode in beginsel beslissend is, kunnen tot onderzoeksperiode immers niet behoren een of meer jaren waarover niet te weinig belasting is geheven, althans ten aanzien waarvan uit ingesteld onderzoek niet is gebleken van bestaan van vermoeden dat te weinig belasting is geheven.
Dit kan evenwel niet tot cassatie leiden, omdat tussen ’s hofs beschikking en beschikking HR een periode van meer dan 2 jaren is verstreken. Na vernietiging van ‘s hofs beschikking en daardoor noodzakelijke verwijzing van zaak naar ander hof, zou eerst indien en nadat dat hof het bezwaarschrift n-o of ongegrond zou hebben verklaard, de met de aan verdachte betekende dagvaarding ingeleide vervolging kunnen worden voortgezet. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat bij afweging van enerzijds belang van gemeenschap bij vervolging van strafbare feiten en anderzijds belang van verdachte bij berechting binnen redelijke termijn a.b.i. art. 6 EVRM, laatstgenoemde belang moet prevaleren, zodat OM in zijn vervolging n-o is.
Volgt verwerping.
Conclusie
Nr. 2317 Rekest
Parket, 17 mei 1989
Mr. Meijers
Conclusie inzake:
DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET GERECHTSHOF TE ARNHEM
in de zaak tegen
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij beschikking van 25 april 1988 heeft het gerechtshof te Arnhem met verbetering van gronden bevestigd de beschikking van de rechtbank te Almelo van 8 januari 1988, waarbij de rechtbank het openbaar ministerie in zijn vervolging niet ontvankelijk heeft verklaard en de verdachte buiten vervolging heeft gesteld.
2. Het hof overwoog
"dat de raadsman van verdachte in eerste aanleg heeft betoogd en in hoger beroep heeft herhaald dat het openbaar ministerie om verschillende redenen niet ontvankelijk is in zijn vervolging van verdachte;
dat één van die redenen is gelegen in de Richtlijn openbaar ministerie van 16 januari 1985 (Stcrt. 1985, 15), in welke richtlijn als hoofdregel is opgenomen:
"In beginsel zal elke zaak voor strafrechtelijke vervolging in aanmerking komen indien de te weinig geheven belasting en/of premie gedurende de onderzoeksperiode (die door het geregelde overleg kan worden bepaald) circa f 50.000 of meer bedraagt"
en voorts onder het hoofd Interne afdoening is bepaald:
"De te weinig geheven belasting/premie beneden het richtbedrag van f 50.000 ( ... ) zal door de belastingdienst intern dienen te worden afgedaan";
dat naar het oordeel van het hof bij het onderzoek naar aanleiding van de vraag of overschrijding van vorenbedoeld richtbedrag heeft plaatsgevonden in redelijkheid niet buiten beschouwing mogen blijven en derhalve eveneens in de onderzoeksperioden dienen te worden begrepen -naast de uitkomsten betreffende de jaren 1981 tot en met 1983- de uitkomsten betreffende het jaar 1984, nu de daarop betrekking hebbende stukken in het voorbereidend onderzoek zijn betrokken en deel uitmaken van het strafdossier;
dat bij het onderzoek in raadkamer genoegzaam is komen vast te staan, dat in de met inachtneming van het vorengaande bepaalde onderzoeksperiode de in totaal te weinig geheven belasting/premie een bedrag beloopt dat ruimschoots onder het richtbedrag ligt, nog daargelaten de vraag of al, gelet op de verhouding tot de wel geheven belasting en premies en de in genoemde richtlijn gegeven mogelijkheid tot nuancering, hantering van het richtbedrag zonder bijstelling naar boven aangewezen is;
dat, nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die redenen kunnen geven tot afwijking van de in meergenoemde richtlijn opgenomen hoofdregel, reeds op grond van vorengaande geoordeeld moet worden dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in zijn vervolging van verdachte en deze derhalve terecht buiten vervolging is gesteld, zodat de beschikking, waarvan beroep, behoort te worden bevestigd."
3. De procureur-generaal bij het gerechtshof te Arnhem heeft zich tijdig van beroep in cassatie voorzien en eveneens tijdig een schriftuur ingediend, inhoudende twee middelen van cassatie.
4. Namens [verdachte] heeft mr. J.J.M. Hertoghs, advocaat te Breda, een schriftuur, houdende verweer, ingediend.
5. In het eerste middel wordt blijkens de daarop gegeven toelichting de mening verdedigd dat het hof in zijn bestreden beschikking de grenzen van het rechterlijk toetsingsbeleid ten aanzien van de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie heeft overschreden.
6. Ik deel die mening niet. Het hof heeft de vervolgingsbeslissing van de officier van justitie kennelijk getoetst aan een of meer beginselen van behoorlijk procesrecht. Met die toetsing heeft het hof zich naar vaste rechtspraak en bestendige rechtspraktijk niet buiten de grenzen van zijn bevoegdheid begeven. Vgl. o.m. HR NJ 1978, 358 (het eerste Mentenarrest) en het in de toelichting op het middel genoemde arrest HR NJ 1987, 663. Ook: J.A. Borman, Openbaar ministerie en beginselen van behoorlijk bestuur, Trema 1981, p. 109-110, Corstens, Beginselen van behoorlijk procesrecht, Trema 1985, p. 173-187, Cleiren, diss., p. 20-24, 77 e.v.
7. Het hof heeft in zijn beschikking niet aangegeven aan welk beginsel van behoorlijk procesrecht het de beslissing van de officier van justitie te Almelo tot vervolging van de verdachte heeft getoetst.
8. Het middel klaagt daarover, maar die klacht houdt geen steek. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie ten aanzien van verdachte ten onrechte is afgeweken van de in de bedoelde richtlijn opgenomen, door het hof weergegeven, hoofdregel. Dat betekent dat het hof als zijn oordeel te kennen heeft gegeven dat het openbaar ministerie jegens de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld. Het ligt voor de hand aan te nemen dat naar het oordeel van het hof het door het openbaar ministerie begane onrecht hierin bestaat dat het zijn discretionaire bevoegdheid op een willekeurige wijze heeft gehanteerd (over het verbod van willekeur in het strafprocesrecht o.m. Corstens, a.w., p. 179- 180), terwijl ook het vertrouwensbeginsel als toetssteen in aanmerking is kunnen komen.
9. Voor een toereikende motivering van de beslissing tot (niet-)ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie behoeft de rechter geen rekenschap te geven van de aard van het beginsel waaraan hij heeft getoetst.
10. De vraag die het eerste middel blijkens het vervolg van de toelichting voorts aan de orde wil stellen is of de toetsing van de toepassing van de bedoelde richtlijn aan ongeschreven recht in dit geval tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie kon leiden.
11. In zijn beschikking van 26 april 1988, DD 88.345, heeft de Hoge Raad in een zaak, waarin eveneens de toepassing van de richtlijn van 16 januari 1985 voorwerp van debat was, geoordeeld dat de omstandigheid dat een strafvervolging plaatsvindt in afwijking van bedoelde richtlijn niet zonder meer leidt tot niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Vgl. HR DD 82.385 en HR NJ 1984, 151 (hier was naar het oordeel van de Hoge Raad de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in het licht van de door de officier van justitie aangevoerde bijzondere omstandigheden ontoereikend gemotiveerd).
12. De omstandigheden op grond waaraan het hof in zijn bestreden beschikking gewicht toekent bij de toetsing van de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie zijn tweeërlei. In de eerste plaats stelt het hof vast dat de in totaal te weinig geheven belasting/premie een bedrag beloopt dat ruimschoots onder het richtbedrag van de richtlijn ligt. In de tweede plaats overweegt het hof dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die redenen kunnen geven tot afwijking van de hoofdregel van de richtlijn.
13. Daarmee heeft naar mijn mening het hof zijn kennelijke oordeel dat het openbaar ministerie door het instellen van een strafvervolging tegen [verdachte] het verbod van willekeur heeft geschonden en/of in strijd met een bij [verdachte] bestaande gerechtvaardigd vertrouwen in het uitblijven van strafvervolging heeft gehandeld op voldoende wijze gemotiveerd.
14. Dat oordeel van het hof geeft niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Het is, gelet onder meer op hetgeen de procureur-generaal bij het hof in raadkamer van het hof heeft verklaard (proces-verbaal van de niet in het openbaar gehouden terechtzitting van het hof van 23 maart 1988, p. 2), niet onbegrijpelijk: de procureur-generaal verklaarde onder meer dat de vraag of de strafvervolging in strijd met de richtlijnen van het OM heeft plaatsgevonden in de strafzaak aan de orde dient te komen en dat in de richtlijnen duidelijk staat dat er uitzonderingen op de algemene regel mogelijk zijn.
15. Ik houd het eerste middel voor ongegrond.
16. In het tweede middel wordt aangevoerd dat het hof in zijn beschikking is uitgegaan van een onjuiste uitleg van de bedoelde richtlijn dan wel zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, doordat het met het oog op de beantwoording van de vraag of overschrijding van het richtbedrag heeft plaatsgevonden ook de uitkomsten betreffende het jaar 1984 in de "onderzoeksperiode" (richtlijn, onder het opschrift Hoofdregel) heeft begrepen.
17. Vooropgesteld moet worden dat, anders dan het middel wil, in cassatie niet kan worden onderzocht of het hof een juiste betekenis heeft toegekend aan de begrippen onderzoeksperiode en richtbedrag uit de richtlijn, waarover het hier gaat. Zo een onderzoek kan alleen begrippen betreffen, die aan een verdrag of een wet zijn ontleend.
18. De enige in cassatie te stellen vraag is of het "meenemen" van de uitkomsten betreffende het niet in de telastelegging genoemde jaar 1984 de beslissing van het hof onbegrijpelijk maakt.
19. Dat is naar mijn mening niet het geval. Het hof heeft immers vastgesteld dat de op het jaar 1984 betrekking hebbende stukken in het voorbereidend onderzoek van de strafzaak tegen [verdachte] zijn betrokken. Het ligt dan voor de hand -en in de lijn van de verrichte toetsing aan het vertrouwensbeginsel- dat ook op gegevens uit de stukken betreffende 1984 acht wordt geslagen.
20. Het middel acht ik ongegrond.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Parket, 17 mei 1989
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,