Home

Parket bij de Hoge Raad, 22-05-2012, BW6199, 10/05064

Parket bij de Hoge Raad, 22-05-2012, BW6199, 10/05064

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22 mei 2012
Datum publicatie
22 mei 2012
ECLI
ECLI:NL:PHR:2012:BW6199
Formele relaties
Zaaknummer
10/05064

Inhoudsindicatie

Art. 414.1 tweede volzin Sv. Overleggen nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2000/214. Het kennelijke oordeel van het Hof dat het voegen van het proces-verbaal van de terechtzitting van de medeverdachte in het dossier van de verdachte niet in strijd is met de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde, geeft niet blijkt van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Mede gelet op de omstandigheid dat niet blijkt dat de raadsman enig bezwaar heeft aangevoerd tegen deze voeging, was het Hof niet tot een nadere motivering gehouden.

Conclusie

Nr. 10/05064(1)

Mr. Silvis

Zitting 6 maart 2012 (vervroegd)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 11 november 2010 door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens "Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek. Het Hof heeft voorts de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Namens verdachte heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt primair dat het Hof in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde de voeging van het door de advocaat-generaal in hoger beroep in het geding gebrachte proces-verbaal van de terechtzitting van medeverdachte [betrokkene 4] heeft toegestaan, en subsidiair dat het Hof zijn beslissing om de voeging van dit proces-verbaal toe te staan niet (toereikend) heeft gemotiveerd.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 en 24 september 2010 houdt ten aanzien van de voeging van het proces-verbaal van de terechtzitting in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 4] het volgende in:

"De voorzitter hervat het onderzoek op 24 september 2010 om 09.00 uur.

De voorzitter constateert dat de verdachte en zijn raadsman niet zijn verschenen. De voorzitter deelt mede dat de oproeping die op 22 september 2010 is besproken eveneens gold voor de terechtzitting van heden en dat de verdachte derhalve op juiste wijze is opgeroepen.

De voorzitter deelt mede dat bij het hof is ingekomen een brief van de advocaat-generaal, gedateerd 23 september 2010 waarin de advocaat-generaal verzoekt het proces-verbaal van de terechtzitting van de medeverdachte [betrokkene 4] in het dossier van verdachte te voegen en meedeelt dat medeverdachte [betrokkene 4] zal worden opgeroepen voor de terechtzitting van 28 oktober 2010 om als getuige te worden gehoord. Het hof heeft van die brief kennisgenomen en stelt vast dat de advocaat-generaal het proces-verbaal gaat voegen in het dossier van verdachte. De voorzitter constateert dat in de brief van de advocaat-generaal wordt aangegeven dat een kopie van de brief is verzonden aan de raadsman."

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2010 houdt voorts nog het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat de advocaat-generaal heeft besloten de getuige [betrokkene 4] op te roepen naar aanleiding van zijn verklaring die hij heeft afgelegd op 22 september 2010 als verdachte in zijn eigen strafzaak. De advocaat-generaal heeft het proces-verbaal van terechtzitting van de verdachte [betrokkene 4] in het dossier gevoegd en daarom [betrokkene 4] opgeroepen als getuige.

De getuige [betrokkene 4] geeft op de vragen van de voorzitter op naam, voornamen, geboortedatum, beroep, woon- of verblijfplaats zoals hieronder is vermeld.

De getuige [betrokkene 4] verklaart geen bloed- of aanverwant van verdachte te zijn en legt vervolgens - nadat de voorzitter erop gewezen heeft dat de getuige zich kan beroepen op het verschoningsrecht indien hij door te verklaren zichzelf aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zal blootstellen - op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.

De getuige verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:

Ik ben [betrokkene 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969. Ik verblijf thans in de penitentiaire inrichting in Arnhem Zuid. Ik heb geen beroep.

Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht.

De voorzitter deelt mede dat het hof eerst de vragen van mr De Leon wenst te horen alvorens te beslissen op het beroep van de getuige op zijn verschoningsrecht.

Mr De Leon voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:

Ik heb één vraag aan de getuige. De getuige heeft verklaard dat hij in het gezelschap van [betrokkene 5] en [verdachte] bij de Biltsche Hoek is geweest. Ik heb al eerder aangegeven dat ik met de officier van justitie in eerste aanleg de beelden van de Biltsche Hoek heb bekeken en dat mijn cliënt daarop niet te zien is. Mijn vraag aan de getuige is hoe het kan dat mijn cliënt niet op de beelden te zien is, terwijl getuige zegt dat hij samen met [betrokkene 5] en [verdachte] bij de Biltsche Hoek was.

De getuige deelt mede dat hij zich beroept op zijn verschoningsrecht.

De advocaat-generaal deelt mede dat zij van mening is dat [betrokkene 4] zich terecht op zijn verschoningsrecht beroept.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.

De voorzitter hervat het onderzoek en deelt mede als beslissing van het hof dat het beroep van de getuige op zijn verschoningsrecht wordt gehonoreerd. De vraag die door mr De Leon is gesteld, raakt een feit waarvan getuige zelf wordt verdacht. Het verschoningsrecht komt de getuige daarom toe.

De raadsman, de advocaat-generaal en het hof doen afstand van het horen van de getuige [betrokkene 4]."

6. Ter zitting van 24 september 2010 heeft het Hof het verzoek gemeld van de advocaat-generaal om het proces-verbaal in de terechtzitting bij het Hof van medeverdachte [betrokkene 4] van 22 september 2010 te voegen in het dossier van verdachte. De advocaat-generaal had ook een kopie van het schriftelijke verzoek aan de raadsman gezonden, die niet op de terechtzitting van 24 september 2010 aanwezig was. De raadsman was dus ondanks zijn afwezigheid wel op de hoogte gekomen van het verzoek tot voeging van het proces-verbaal. Op de terechtzitting van 28 oktober 2010 deelt de voorzitter mee dat de advocaat-generaal het proces-verbaal van de terechtzitting van verdachte [betrokkene 4] in het dossier heeft gevoegd en dat de advocaat-generaal daarom [betrokkene 4] heeft opgeroepen als getuige.

7. De Hoge Raad heeft in eerdere jurisprudentie bepaald dat ingevolge art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv de advocaat-generaal bij het Hof en de verdachte bevoegd zijn voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het om belastende bescheiden of stukken gaat, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt (vgl. HR 16 november 2004, LJN AR3202; HR 16 november 1999, LJN ZD1451, NJ 2000/214). Tegen het voegen van het zittingsverbaal in een andere zaak hoeft geen bezwaar te bestaan.(2)

8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 oktober 2010 blijkt niet dat de raadsman bezwaar heeft gemaakt tegen de voeging van het zittingsverbaal. De verdediging heeft niet gesteld dat deze voeging in strijd zou zijn met beginselen van een behoorlijke procesorde. De verdediging heeft zich, na de aangekondigde voeging van het processtuk, op de inhoud daarvan met het oog op de verdediging voldoende kunnen voorbereiden. De raadsman was, gelet ook op zijn in het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 oktober 2010 neergelegde vraag voor [betrokkene 4], bekend met de inhoud van de verklaring van deze [betrokkene 4] in het door de advocaat-generaal in het dossier gevoegde processtuk. Gelet op het voorgaande was het Hof niet gehouden de aanvaarding van de voeging van het processtuk breder te motiveren dan is geschied.

9. Het middel faalt in beide onderdelen.

10. Het tweede middel klaagt dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 4] het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen, terwijl de verdediging niet in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen, althans dat het Hof zijn beslissing om deze verklaring tot het bewijs te bezigen ontoereikend heeft gemotiveerd.

11. Het Hof heeft in zijn arrest ten aanzien van het gebruik van de verklaring van [betrokkene 4] het volgende overwogen en beslist:

"De betrokkenheid van verdachte bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat verdachte overeenkomstig het vonnis van de rechtbank van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving betrokken is geweest. (...) Ten slotte heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven, dat de verklaring van [betrokkene 4], die hij ter terechtzitting van het hof als verdachte in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd, geen waarde heeft voor het bewijs, omdat [betrokkene 4] tijdens het verhoor als getuige in de strafzaak van verdachte naar aanleiding van die verklaring, zich heeft beroepen op zijn verschoningsrecht.

(...)

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, te weten de verklaring die medeverdachte [betrokkene 4] ter terechtzitting van het hof in zijn strafzaak heeft afgelegd, in samenhang met de verklaringen van [medeverdachte], [betrokkene 2] en de verklaring van verdachte zelf, genoegzaam blijkt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [medeverdachte] en [betrokkene 6]. De omstandigheid dat [betrokkene 4] de verklaring die voor het bewijs wordt gebezigd, als verdachte in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd en het feit dat hij zich bij het hof als getuige op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, staan niet het gebruik van die verklaring in de weg en doen in dit geval naar het oordeel van het hof geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van die verklaring. Hij had geen belang om onwaarheid te spreken over de rol van verdachte. Integendeel, hij heeft getracht de rol van [betrokkene 5] en verdachte te marginaliseren.

(...)

Medeverdachte [betrokkene 4] heeft daarover verklaard dat hij op 7 januari 2008 in een auto met [betrokkene 2] is gaan rijden en dat zij naar de Biltsche Hoek zijn gegaan. Hij heeft verklaard dat hij bij de Biltsche Hoek in gezelschap was van [verdachte] en [betrokkene 5]. [Medeverdachte] is diezelfde avond door tussenkomst van [betrokkene 2] naar de woning van [betrokkene 7] gekomen. Volgens [betrokkene 4] waren hij, [verdachte] en [betrokkene 5] daar al aanwezig en zijn zij, [betrokkene 4], [verdachte] en [betrokkene 5] ook boven in de woning van [betrokkene 7] geweest toen [medeverdachte] en [betrokkene 6] boven waren.

(...)

Gesteld noch gebleken is dat de Marokkaanse man, die volgens de verklaringen van [medeverdachte] gedurende een groot deel van de ontvoering in de woning aan de [a-straat] in Bilthoven en in de [b-straat] in Utrecht aanwezig is geweest, is vervangen of afgewisseld door een andere Marokkaanse man. Gelet op de verklaring van [betrokkene 4] kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat die derde, Marokkaanse, man verdachte is geweest. Het hof vindt daarvoor ook nog bevestiging in de verklaring van verdachte zelf in samenhang met die van [medeverdachte]. Verdachte heeft immers verklaard dat hij op 7 januari 2008 met de sleutels de deur van de flatwoning aan de [b-straat] in Utrecht heeft geopend. [Medeverdachte] heeft verklaard dat "de Marokkaan" de deur van de woning in Utrecht met een sleutel open deed en dat zij daar naar binnen moesten. De verklaring van verdachte dat hij de deur alleen heeft geopend in het bijzijn van [betrokkene 4] acht het hof niet aannemelijk."

12. Vooropgesteld kan worden dat het gebruik van een ambtsedig proces-verbaal voor het bewijs, voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring, niet zonder meer ongeoorloofd is en in het bijzonder niet onverenigbaar is met art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM (HR 1 februari 1994, LJN AB7528, NJ 1994/427). Van een dergelijke onverenigbaarheid is in ieder geval geen sprake indien de verdediging in enig stadium van geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. De enkele omstandigheid dat een getuige die voor een rechter is opgeroepen en aldaar is verschenen, weigert een verklaring af te leggen, brengt niet mee dat inbreuk wordt gemaakt op het door art. 6, eerste en derde lid aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde recht.(3)

13. In aanmerking genomen dat [betrokkene 4] als getuige is opgeroepen en is gehoord ter terechtzitting van het Hof van 28 oktober 2010 en rekening houdende met het feit dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld om over die getuige, diens eerder afgelegde verklaring en over hetgeen hij ter terechtzitting heeft verklaard, naar voren te brengen wat zij noodzakelijk oordeelde, kon het Hof met inachtneming van hetgeen hierboven vooropgesteld is, voor het bewijs gebruik maken van de verklaring van [betrokkene 4], afgelegd in zijn eigen strafzaak.(4) Er is gelegenheid is geboden de betreffende getuige nader te horen, zodat niet de eis van toepassing is dat de getuigenverklaring in voldoende mate steun moet vinden in andere bewijsmiddelen wil gebruik van het bewijsmiddel toelaatbaar zijn.(5) Daaraan doet niet af dat de getuige zich bij gelegenheid van het verhoor ter terechtzitting op zijn verschoningsrecht heeft beroepen.(6)

14. Ook al kan het gebruik van de door [betrokkene 4] afgelegde verklaring worden toegelaten, dat wil niet zeggen dat aan de formeel onbelemmerde maar feitelijk ten gevolge van het beroep op het verschoningsrecht beperkte uitoefening van het ondervragingsrecht voor de bewijsvoering helemaal geen gevolgen zijn verbonden. De formeel geboden gelegenheid tot ondervragen heeft immers niet tot een volwaardige inhoudelijke ondervraging gericht op toetsing van een eerder afgelegde verklaring kunnen leiden. Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft meermalen uitgemaakt dat de bewezenverklaring in dergelijke omstandigheden niet alleen of in beslissende mate mag berusten op de eerdere verklaring van deze getuige (A.M./Italië, nr. 37019/97,1999-IX, § 25, Saïdi/Frankrijk 20 september 1993, serie A nr. 261-C, p. 56-57, § 43-44; Lucà/Italië, (EHRM 27 februari 2001, LJN AE0190, NJ 2002/101 m.nt T.M. Schalken). Het maakt in dit verband niet uit dat de verklaring van [betrokkene 4] door hem is afgelegd als verdachte (rov. 41 in de zaak Lucà).

15. Juist op het punt van de wijze waarop de "sole or decisive rule" moet worden toegepast heeft de Grote Kamer van het EHRM op 15 december 2011 in Al-Khawaja & Taherty/UK, nrs. 26766/05 en 22228/06, enige nuancering aangebracht op de uitleg die aan eerdere uitspraken was verbonden. De stap die het EHRM hier zet mag klein lijken, maar is wel bijzonder, gezien in het licht van de voorgeschiedenis. Uit eerdere rechtspraak van het EHRM kan worden opgemaakt dat bewijs niet volledig of beslissend ('sole or decisive") mag berusten op de verklaring van een getuige, indien de verdediging niet op enig moment in de gelegenheid is gesteld deze getuige behoorlijk te ondervragen. De ogenschijnlijke absoluutheid van deze regel heeft vooral in Engeland tot scherpe kritiek geleid. Het Britse Hooggerechtshof weigerde nadrukkelijk die regel te volgen. In Horncastle [2009] UKSC 14, stelde Lord Phillips, verwijzend naar section 2 of the Human Rights Act 1998:

"The requirement to "take into account" the Strasbourg jurisprudence will normally result in this Court applying principles that are clearly established by the Strasbourg Court. There will, however, be rare occasions where this court has concerns as to whether a decision of the Strasbourg Court sufficiently appreciates or accommodates particular aspects of our domestic process. In such circumstances it is open to this court to decline to follow the Strasbourg decision, giving reasons for adopting this course. This is likely to give the Strasbourg Court the opportunity to reconsider the particular aspect of the decision that is in issue, so that there takes place what may prove to be a valuable dialogue between this court and the Strasbourg Court. This is such a case."

16. Het EHRM is niet ongevoelig gebleken voor deze kritiek, al zou die inhoudelijk niet geheel correct zijn (zie de overwegingen 106-111 in het arrest van de Grote Kamer). Dat het verzoenend antwoord van de Grote Kamer in het arrest van 15 december 2011 Al-Khawaja & Taherty/UK, nrs. 26766/05 en 22228/06 is gekomen, is voor de onderhavige kwestie van de zich op zijn verschoningsrecht beroepende getuige interessant. Ik zal de zaken waar het EHRM-arrest betrekking op heeft, kort toelichten alvorens de kernoverwegingen (146,147) aan te halen. Die toelichting wordt vergemakkelijkt door het feit dat in de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga in de zaak die leidde tot HR 5 januari 2010, LJN BJ6932, al is ingegaan op de EHRM-zaak Al-Khawaja & Taherty/UK.(7) In deze zaken was voor het bewijs gebruik gemaakt van schriftelijke getuigenverklaringen. In de zaak van Al-Khawaja, die was veroordeeld wegens ontucht, kon de aangeefster niet ter terechtzitting worden gehoord omdat zij inmiddels was overleden. In de zaak van Tahery hoefde een getuige niet ter terechtzitting te verschijnen wegens vrees een verklaring te moeten afleggen. Al-Khawaja en Tahery klaagden beiden over schending van art. 6 lid 3 onder d jo 6 lid 1 EVRM omdat zij de getuigen niet hadden kunnen ondervragen hoewel het bewijs uitsluitend of in hoofdzaak berustte op de belastende verklaringen van de getuigen. In EHRM 20 januari 2009, EHRC 2009, 39 wordt er in Al-Khawaja en Tahery/UK nog voor gekozen geen uitzondering te maken op de "sole or decisive rule". Maar de Grote Kamer beslist nu anders, nadat uitvoerig het uitgangspunt van respect voor specifieke eigenschappen van de bewijsvoering op nationaal niveau (the margin of appreciation) is benadrukt :

"146. The Court is of the view that the sole or decisive rule should also be applied in a similar manner. It would not be correct, when reviewing questions of fairness, to apply this rule in an inflexible manner. Nor would it be correct for the Court to ignore entirely the specificities of the particular legal system concerned and, in particular its rules of evidence, notwithstanding judicial dicta that may have suggested otherwise (see, for instance, Lucà, cited above, at § 40). To do so would transform the rule into a blunt and indiscriminate instrument that runs counter to the traditional way in which the Court approaches the issue of the overall fairness of the proceedings, namely to weigh in the balance the competing interests of the defence, the victim, and witnesses, and the public interest in the effective administration of justice.

De algemene gevolgtrekking die aan deze contextuele relativering van de toepassing van de "the sole or decisive rule" wordt verbonden, luidt als volgt:

"147. The Court therefore concludes that, where a hearsay statement is the sole or decisive evidence against a defendant, its admission as evidence will not automatically result in a breach of Article 6 § 1.

At the same time where a conviction is based solely or decisively on the evidence of absent witnesses, the Court must subject the proceedings to the most searching scrutiny. Because of the dangers of the admission of such evidence, it would constitute a very important factor to balance in the scales, to use the words of Lord Mance in R. v. Davis (see paragraph 50 above), and one which would require sufficient counterbalancing factors, including the existence of strong procedural safeguards. The question in each case is whether there are sufficient counterbalancing factors in place, including measures that permit a fair and proper assessment of the reliability of that evidence to take place. This would permit a conviction to be based on such evidence only if it is sufficiently reliable given its importance in the case."

17. Wat is samengevat het gevolg van deze lijn in de zaken van de klagers Al-Khawaja en Tahery? De maatstaf die door de Grote Kamer wordt toegepast heeft in beide gevallen dezelfde structuur (nr 152):

" (...) The Court will therefore consider three issues in each case: first, whether it was necessary to admit the witness statements of ST or T; second, whether their untested evidence was the sole or decisive basis for each applicant's conviction; and third, whether there were sufficient counterbalancing factors including strong procedural safeguards to ensure that each trial, judged as a whole, was fair within the meaning of Article 6 §§ 1 and 3(d)."

18. In de zaak tegen Al-Khawaja, die als (para-)medicus ontuchtige handelingen zou hebben geleegd ten aanzien van een onder hypnose gebracht slachtoffer, dat nadien buiten enig verband met dit feit was overleden, kon de veroordeling volgens de grote Kamer van het EHRM zonder schending van het recht op een eerlijk proces worden gebaseerd op de op video geregistreerde verklaring van het slachtoffer, ook al was de verdediging niet in de gelegenheid gesteld het slachtoffer te ondervragen. Het steunbewijs bestond in dat geval uit 'similar fact evidence' betreffende twee andere zaken. Tegen die achtergrond was de verdediging voldoende gecompenseerd voor de moeilijkheden die door het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht waren ontstaan. In de zaak tegen Tahery was de vrees van de getuige een redelijke grond om niet ter terechtzitting te verschijnen, terwijl die vrees was niet veroorzaakt door een gedraging van de verdachte. De belastende verklaring van de getuige mocht ondanks het uitblijven van een gelegenheid tot het ondervragen van de getuige door de verdediging toch worden gebruikt, maar de bewezenverklaring van de zware mishandeling vond volgens de Grote Kamer van het Hof onvoldoende steun in ander bewijs om de bewijsvoering als geheel een voldoende betrouwbaar resultaat te kunnen achten van een eerlijk proces. In dat geval schoten de 'compensating measures' voor de verdediging tekort.

19. Terug naar de zaak waar het hier om gaat. Het besproken EHRM arrest hoeft geen gevolg te hebben voor het door de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat de verklaring van [betrokkene 4] het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen, wijs ik er op dat het Hof in zijn arrest tot uitdrukking heeft gebracht dat de directe betrokkenheid van verdachte volgt uit de verklaring van [betrokkene 4] in samenhang met de verklaringen van [medeverdachte], [betrokkene 2] en de verklaring van verdachte zelf. De verklaring van [betrokkene 4] geeft steun aan hetgeen uit de verklaringen van [medeverdachte], [betrokkene 2] en de verdachte zelf kan worden opgemaakt. De bewezenverklaring berust niet in overwegende mate op de verklaring van [betrokkene 4].

20. In het middel wordt voorts geklaagd over 's Hofs motivering van de betrouwbaarheid van die verklaring van [betrokkene 4]. Vanuit de optiek van de verdediging gaat het om de vraag of [betrokkene 4] in strijd met de waarheid belastend heeft verklaard over verdachte. Het Hof acht feitelijk niet aannemelijk dat [betrokkene 4] verdachte, alledaags samengevat, erbij heeft willen lappen. Er is volgens het Hof geen sprake van dat [betrokkene 4] de rol van verdachte heeft aangedikt. Het Hof overweegt dat [betrokkene 4] ook geen belang had om in strijd met de waarheid te verklaren dat verdachte bij de Biltsche Hoek aanwezig was. Hij heeft zichzelf niet afgeschermd door de rol van verdachte groter te maken. [Betrokkene 4] verklaart enkel dat hij heeft rondgereden met verdachte en [betrokkene 5] en dat hij met hen op bepaalde plaatsen is geweest en dat hij daarbij bepaalde mensen heeft ontmoet. Die verklaring wordt door anderen bevestigd. Ik acht de overwegingen van het Hof niet onbegrijpelijk.

21. Het middel faalt in alle onderdelen.

22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak 10/05055 inzake [medeverdachte], in welke zaak ik heden eveneens concludeer.

2 Zie HR 6 april 2010, LJN BL0641, NJ 2010/218.

3 Zie ook HR 6 juni 2006, LJN AV1633, NJ 2006/ 332.

4 HR 05 januari 2010, LJN BJ6932, 08/01215; Vgl. voorts HR 6 juni 2006, LJN AV1633, NJ 2006, 332.

5 Vgl. HR 1 februari 1994, LJN AB7528, NJ 1994/427 m.nt C, r.o. 6.3.3 sub (ii); HR 6 juni 2006, LJN AV1633, NJ 2006/332 ("overweging ten overvloede van het hof"); HR 29 september 1998, LJN ZD1132, NJ 1999/74 en HR 30 november 1999, LJN ZD1147, NJ 2000/130. Uitzondering vormt HR 15 juni 1993, LJN AC4222, NJ 1994/37, maar die uitspraak dateert van voor HR NJ 1994/427, zijnde het standaardarrest van de Hoge Raad omtrent het gebruik van getuigenverklaringen opgenomen in ambtsedige processen-verbaal.

6 Zie HR 6 juni 2006, LJN AV1633, NJ 2006, 332.

7 In HR 5 januari 2010, LJN BJ6932 gaat het ook om een op zijn verschoningsrecht beroepende getuige. Het relevante middel in die zaak is gericht tegen de toelaatbaarheid als bewijsmiddel, niet op de betekenis ervan in de bewijsvoering als geheel.