Home

Parket bij de Hoge Raad, 31-07-2014, ECLI:NL:PHR:2014:1773, 10/01243

Parket bij de Hoge Raad, 31-07-2014, ECLI:NL:PHR:2014:1773, 10/01243

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31 juli 2014
Datum publicatie
26 september 2014
ECLI
ECLI:NL:PHR:2014:1773
Zaaknummer
10/01243

Inhoudsindicatie

Dit is de tweede maal dat A-G Van Hilten conclusie neemt over de vraag of een goed – in casu een dieselmotor – aan het douanetoezicht is onttrokken indien het onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer (hierna: regeling douanevervoer) is geplaatst en ruim twee weken na het verstrijken van de termijn daartoe bij het kantoor van bestemming wordt aangebracht. Op 10 mei 2011 concludeerde zij tot het stellen van een prejudiciële vraag. Bij arrest van 12 oktober 2012 stelde de Hoge Raad er twee. Na conclusie van A-G Jääskinen (13 februari 2014), verklaarde het Hof van Justitie (HvJ) bij arrest van 15 mei 2014, X, C-480/12 (hierna: arrest C-480/12) dat:

(1) de enkele overschrijding van de termijn voor het aanbrengen niet leidt tot een douaneschuld wegens het onttrekken van de betrokken goederen aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW), maar tot een douaneschuld met als grondslag artikel 204 van het CDW, en dat het voor het ontstaan van een douaneschuld uit hoofde van dat artikel 204 niet nodig is dat de betrokkenen de douaneautoriteiten inlichtingen verstrekken over de oorzaken van de overschrijding van de termijn of over de plek waar de betrokken goederen zich bevonden gedurende de periode tussen het verstrijken van die termijn en de daadwerkelijke aanbrenging van de goederen bij het douanekantoor van bestemming; en dat

(2) artikel 7, lid 3, eerste alinea, van de Zesde richtlijn zó moet worden uitgelegd dat omzetbelasting verschuldigd is wanneer de betrokken goederen aan de in dat artikel bedoelde douaneregelingen zijn onttrokken, zelfs indien een douaneschuld uitsluitend op grondslag van artikel 204 van CDW is ontstaan.

A-G Van Hilten acht het antwoord op de eerste vraag weliswaar duidelijk, maar de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid niet, met name omdat daarin de indruk wordt gewekt dat de Hoge Raad wordt opgedragen na te gaan hetgeen al vastgesteld lijkt. Het antwoord op de tweede vraag lijkt haar – bij eerste lezing – innerlijk tegenstrijdig omdat in de rechtspraak van het HvJ pas wordt toegekomen aan toepassing van artikel 204 van het CDW als géén sprake is van een onttrekking en het HvJ bij de beantwoording van vraag 2 suggereert dat artikel 204 van het CDW ook ingeval van onttrekking van toepassing kan zijn.

Zij gaat vervolgens in op de betekenis van elk van de antwoorden van het HvJ. Daarbij spelen andere taalversies van het arrest een belangrijke rol. Dubbelzinnigheden en onduidelijkheden in de Nederlandse – authentieke – versie van het arrest, blijken begrijpelijk(er) wanneer zij naast de Engelse, Franse en Duitse tekst worden gezet.

Wat betreft het antwoord op de eerste vraag, concludeert A-G Van Hilten dat het HvJ vaststelt dat de dieselmotor niet in het economische circuit van de EU is terechtgekomen, maar dat dit niet uitsluit dat toch sprake is van een onttrekking in de zin van artikel 203 van het CDW. Dit strookt met eerdere rechtspraak. De A-G legt de in punt 37 van arrest C-480/12 aan de Hoge Raad gegeven ‘verwijzingsopdracht’ zó uit dat de Hoge Raad moet nagaan of de dieselmotor op enig moment gescheiden is geraakt van het vervoersdocument. Zij meent dat deze opdracht snel vervuld zal zijn, omdat in casu gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van een dergelijke scheiding van document en goed. Van een onttrekking is haars inziens dan ook geen sprake, zodat aan toepasbaarheid van artikel 204 van het CDW wordt toegekomen.

Op grond van artikel 204 ontstaat een douaneschuld bij invoer wanneer niet is voldaan aan verplichtingen die uit het gebruik van een douaneregeling voortvloeien, tenzij het verzuim zonder werkelijke gevolgen voor de toepassing van de regeling is gebleven. In artikel 859 van de Uitvoeringsverordening CDW (hierna: UCDW) is een limitatieve opsomming gegeven van omstandigheden waarin een verzuim kan worden geacht zonder werkelijke gevolgen te zijn gebleven. Naar A-G Van Hilten uit punt 41 van arrest C-480/12 afleidt, heeft het Hof – door bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van (te laat) aanbrengen alleen het tijdsverloop in aanmerking te nemen, uitgegaan van een onjuist rechtsoordeel. Nu geen omstandigheden zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van het tijdsverloop tussen het einde van de aanbrengingstermijn en het daadwerkelijke aanbrengen van de dieselmotor, meent Van Hilten dat niet kan worden gezegd dat de termijnoverschrijding redelijk was. Dat betekent dat het verzuim niet zonder werkelijke gevolgen is gebleven en dat douanerechten verschuldigd zijn.

Bij de beantwoording van de tweede vraag heeft volgens A-G van Hilten voor het HvJ voorop gestaan dat wanneer eenmaal ingevolge artikel 204 van het CDW rechten bij invoer zijn betaald ter zake van een in de EU binnengebracht doch onder een douaneregeling geplaatst goed, het desbetreffende goed daarmee in het vrije verkeer is gekomen en het goed zich ‘dus’ ook niet meer onder de desbetreffende regeling kan bevinden (artikel 866 UCDW). De goederen zijn niet zozeer onttrokken in de zin van artikel 203 van het CDW maar vallen (toch) niet meer onder de regeling. Dat betekent dat die regeling kennelijk moet zijn beëindigd. Via deze route leidt artikel 204 van het CDW derhalve tot een niet meer onder een douaneregime vallen van goederen, en dat levert een omzetbelastingschuld op, ook op grond van artikel 18, lid 1, onderdeel c, van de Wet op de omzetbelasting 1968. De artikelen 7, lid 3 en 10, lid 3, van de Zesde richtlijn, hebben – anders gezegd – een ruimer toepassingsbereik dan enkel ‘onttrekken’, ook al suggereert de Nederlandse tekst van de bepalingen dit laatste.

Na te hebben opgemerkt dat de (via artikel 204 van het CDW) ter zake van invoer verschuldigd geworden omzetbelasting haars inziens voor aftrek dan wel teruggaaf in aanmerking moet komen, concludeert A-G van Hilten dat het beroep in cassatie van de Minister van Financiën gegrond moet worden verklaard.

Conclusie

mr. M.E. van Hilten

Advocaat-Generaal

Conclusie van 31 juli 2014 inzake:

HR nr. 10/01243bis

Minister van Financiën

HvJ nr. C-480/12

Hof nr. P08/00850DK

Derde Kamer A

tegen

Douanerecht

1 januari 2005 - 31 december 2005

[X] B.V.

1 Inleiding: wat eraan vooraf ging

1.1

Over de vraag of een goed – in casu een dieselmotor – aan het douanetoezicht is onttrokken indien het onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer (hierna kortweg: regeling douanevervoer) is geplaatst en ruim twee weken na het verstrijken van de termijn daartoe bij het kantoor van bestemming wordt aangebracht, heb ik mij eerder uitgelaten. Mijn eerste conclusie in deze zaak dateert van 10 mei 2011, ECLI:NL:PHR:2012:BQ6098. Ik concludeerde toen tot het stellen van een prejudiciële vraag. De Hoge Raad stelde er twee.

1.2

Bij zijn arrest van 12 oktober 2012, nr. 10/01243, ECLI:NL:HR:2012:BQ6098, BNB 2013/102 m.nt. Van Slooten (hierna: HR BNB 2013/102)1 verzocht de Hoge Raad het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) uitspraak te doen over de volgende prejudiciële vragen:

“1. a. Moeten de artikelen 203 en 204 CDW in samenhang gelezen met artikel 859 (in het bijzonder onder 2, letter c) UCDW zo worden uitgelegd dat het (enkele) overschrijden van de overeenkomstig artikel 356, lid 1, UCDW vastgestelde vervoerstermijn niet leidt tot een douaneschuld wegens een onttrekking aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203 CDW, maar tot een douaneschuld op grond van artikel 204 CDW?

b. Is voor bevestigende beantwoording van vraag 1.a vereist dat de betrokkenen aan de douaneautoriteiten inlichtingen verstrekken met betrekking tot de oorzaken van de termijnoverschrijding of ten minste tegenover de douaneautoriteiten verklaren waar de goederen zijn verbleven in de periode die is verstreken tussen de overeenkomstig artikel 356 CDW vastgestelde termijn en het tijdstip van daadwerkelijk aanbrengen bij het douanekantoor van bestemming?

2. Moet de Zesde richtlijn, in het bijzonder artikel 7 van die richtlijn, zo worden uitgelegd dat btw wordt verschuldigd indien een douaneschuld uitsluitend op grond van artikel 204 CDW ontstaat?”

1.3

A-G Jääskinen concludeerde op 13 februari 2014 – kortgezegd – dat het enkele overschrijden van de vervoerstermijn leidt tot een douaneschuld op grond van artikel 204 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW)2, en dat btw bij invoer niet wordt verschuldigd indien goederen niet aan een douaneregeling zijn onttrokken, ook al is een douaneschuld ontstaan op grond van artikel 204 van het CDW.

1.4

Ruim anderhalf jaar (circa 19 maanden) nadat de Hoge Raad zijn vragen voorlegde, verklaarde het HvJ bij arrest van 15 mei 2014, X, C-480/12 (hierna: arrest C-480/12) voor recht:

“1. De artikelen 203 en 204 van (…) het communautair douanewetboek, (…), gelezen in samenhang met artikel 859, punt 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 (…), moeten in die zin worden uitgelegd dat de enkele overschrijding van de overeenkomstig artikel 356, lid 1, van verordening nr. 2454/93 (…), vastgestelde termijn voor het aanbrengen niet leidt tot een douaneschuld wegens het onttrekken van de betrokken goederen aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203 van [het communautair douanewetboek] (…) maar tot een douaneschuld met als grondslag artikel 204 van [het communautair douanewetboek] (…), en dat het voor het ontstaan van een douaneschuld uit hoofde van dat artikel 204 niet nodig is dat de betrokkenen de douaneautoriteiten inlichtingen verstrekken over de oorzaken van de overschrijding van de overeenkomstig artikel 356 van verordening nr. 2454/93 (…) vastgestelde termijn of over de plek waar de betrokken goederen zich bevonden gedurende de periode tussen het verstrijken van die termijn en de daadwerkelijke aanbrenging van de goederen bij het douanekantoor van bestemming.

2. Artikel 7, lid 3, eerste alinea, van de Zesde richtlijn (…), moet in die zin worden uitgelegd dat belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is wanneer de betrokken goederen aan de in dat artikel bedoelde douaneregelingen zijn onttrokken, zelfs indien een douaneschuld uitsluitend op grondslag van artikel 204 van [het communautair douanewetboek] (…) is ontstaan.”

1.5

Het antwoord op de eerste vraag is op zich duidelijk; de overwegingen die tot dit antwoord hebben geleid, zijn dat echter niet, ook in het licht van het arrest van 12 juni 2014, SEK Zollagentur, C-75/13 (hierna: arrest SEK), waarin het HvJ weer de de lijn van een onttrekking volgt. Het antwoord op de tweede vraag lijkt – bij eerste lezing – innerlijk tegenstrijdig omdat in de rechtspraak van het HvJ pas wordt toegekomen aan toepassing van artikel 204 van het CDW als géén sprake is van een onttrekking en het HvJ bij de beantwoording van vraag 2 suggereert dat artikel 204 van het CDW ook ingeval van onttrekking een rol heeft.

1.6

Vandaar deze tweede conclusie.

2 De feiten van de zaak

2.1

Voordat ik mij verdiep in de materiële materie, breng ik het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan de vragen en antwoorden in herinnering. Die feiten zijn tamelijk eenvoudig.

2.2

Belanghebbende heeft op 26 oktober 2005 elektronisch aangifte gedaan tot plaatsing van een dieselmotor onder de regeling douanevervoer. De dieselmotor had uiterlijk op 28 oktober 2005 bij het kantoor van bestemming aangebracht moeten worden. Dat ging mis. De dieselmotor is pas op 14 november 2005 bij het kantoor van bestemming aangebracht,3 waarbij aangifte is gedaan tot plaatsing van de motor onder de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het terugbetalingssysteem. In deze aangifte werd verwezen naar de aangifte voor de regeling douanevervoer en werd het door belanghebbende voor de dieselmotor opgemaakte document New Computerized Transit System overgelegd.

2.3

Het betrokken douanekantoor heeft na de aanvaarding van de aangifte voor de regeling actieve veredeling vastgesteld dat de voorafgaande regeling douanevervoer niet naar behoren was beëindigd en heeft daarom de aanvankelijk aanvaarde aangifte voor actieve veredeling buiten werking gesteld.4

2.4

Omdat belanghebbende niet ten genoegen van de Inspecteur5 heeft bewezen dat de regeling douanevervoer toch op regelmatige wijze was beëindigd – belanghebbende heeft uitsluitend informatie verstrekt waaruit (kort gezegd) blijkt dat de motor is wederuitgevoerd – heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de dieselmotor aan het douanetoezicht is onttrokken in de zin van artikel 203 van het CDW en heeft hij belanghebbende uitgenodigd tot betaling van douanerechten en omzetbelasting.

3 Loop van het geding tot en met het arrest van het HvJ

3.1

Voor een overzicht van het ontstaan en de loop van het geding tot aan het verwijzingsarrest HR BNB 2013/102, verwijs ik naar dat arrest.

3.2

Het verzoek van de Hoge Raad om een prejudiciële beslissing is bij het HvJ ingekomen op 25 oktober 2012. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door belanghebbende6, de Nederlandse regering7, de Europese Commissie8, de Tsjechische Republiek9 en de Helleense Republiek10, waarna op 6 november 2013 de terechtzitting, en op 13 februari 2014 de conclusie van A-G Jääskinen volgden.

3.3

Als vermeld in punt 1.4 van deze conclusie, heeft het HvJ op 15 mei 2014 de prejudiciële vragen van de Hoge Raad beantwoord.

3.4

De Hoge Raad heeft partijen in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op arrest C-480/12. De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris)11 heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij zijn brief van 18 juni 2014. Hij blijft bij het standpunt dat in casu sprake is van een onttrekking van de motor in de zin van artikel 203 van het CDW.

4 Wat het HvJ besliste en wat de Hoge Raad nog moet beoordelen

5 Conclusie