Home

Parket bij de Hoge Raad, 10-02-2015, ECLI:NL:PHR:2015:71, 14/05071

Parket bij de Hoge Raad, 10-02-2015, ECLI:NL:PHR:2015:71, 14/05071

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10 februari 2015
Datum publicatie
20 februari 2015
ECLI
ECLI:NL:PHR:2015:71
Formele relaties
Zaaknummer
14/05071

Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft ter financiering van zijn woning een bedrag geleend van zijn ouders ter hoogte van € 45.000. Over deze lening is 5% rente per jaar verschuldigd, bij achterafbetaling te voldoen. De rente moet maandelijks op de laatste dag van elke maand worden voldaan. Over de periode 2002 t/m 2008 is de rente maandelijks betaald, maar vanaf 2009 is de rente wegens financiële problemen van belanghebbende maandelijks op de lening bijgeboekt. De door belanghebbende over 2009 verschuldigde rente bedraagt € 2.250.

Belanghebbende en zijn broer ontvangen reeds jarenlang rond 24 december een schenking van hun ouders van ca. € 5.000. Tot 2009 ontvingen zij dit bedrag steeds contant of per bank. In 2009 is de schenking aan belanghebbende niet overgemaakt, maar in de administratie (deels) verwerkt als betaling van de door belanghebbende verschuldigde rente op de lening ad € 2.250.

In cassatie is in geschil of de over 2009 verschuldigde rente aftrekbaar is als eigenwoningrente ex art. 3.110 Wet IB 2001. Belanghebbende meent dat zijn ouders een bedrag hebben geschonken ad € 5.000, hetgeen vervolgens is verrekend met de renteschuld ad € 2.250, zodat ingevolge HR BNB 1991/146 ter zake van de rente sprake is van ‘drukkende kosten’ die in aanmerking komen voor aftrek. De Staatssecretaris is van mening dat geen sprake is van een schenking, maar dat de renteschuld in feite door de ouders (eenzijdig) is kwijtgescholden.

Het Hof oordeelde dat, ondanks dat geen ‘kasrondje’ plaatsvindt, geen sprake is van enige kwijtschelding, nu de rente zorgvuldig wordt geadministreerd en de belanghebbende de schenking heeft aangewend voor aflossing van de schuld. Ingevolge het arrest HR BNB 1991/146 is de verschuldigde rente als eigenwoningrente aftrekbaar.

A-G Niessen gaat in op de omstandigheden waaronder een schenking en/of een kwijtschelding kan worden aangenomen. Volgens de A-G is ingevolge art. 7:175 BW een schenking een overeenkomst om niet die ertoe strekt (bevoordelingsbedoeling) de begiftigde te verrijken ten koste van het eigen vermogen van de schenker (verarming). Een kwijtschelding geschiedt ingevolge art. 6:160 BW via een overeenkomst om niet waarin de schuldeiser afstand doet van zijn vorderingsrecht, leidende tot het tenietgaan van de verbintenis. Indien met een schenking wordt beoogd een vorderingsrecht prijs te geven, waarvan bijvoorbeeld sprake is indien de schenking uitsluitend plaatsvindt ter voldoening van door de schuldenaar verschuldigde rente, is volgens A-G Niessen sprake van een schenking die (ook) een kwijtschelding inhoudt. De A-G meent dat renteaftrek in dat geval achterwege dient te blijven, nu de begunstigde niet feitelijk over de ‘verkregen’ middelen heeft kunnen beschikken en (dus) van ‘drukkende kosten’ geen sprake is.

Of partijen hebben beoogd een schenking en/of een kwijtschelding te doen plaatsvinden is volgens de A-G feitelijke kwestie. De A-G meent dat aan ’s Hofs oordeel (kennelijk) ten grondslag ligt de feitelijke oordelen (i) dat partijen niet hebben beoogd dat het vorderingsrecht op de rente zou worden prijsgegeven en (ii) dat de litigieuze schenking niet uitsluitend is ingegeven door belanghebbendes financiële problemen, ofwel: dat geen sprake is van een samenstel van rechtshandelingen dat uitsluitend is gericht op de voldoening van de door belanghebbende verschuldigde rente. Dit feitelijke oordeel van het Hof is volgens de A-G niet onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.

De A-G neemt voorts aan dat het Hof met zijn overweging dat geen sprake is van een ‘kasrondje’ kennelijk doelt op de afwezigheid van een fysiek kasrondje. Voor het aannemen van een schenking is volgens de A-G immers geenszins vereist dat daadwerkelijke overmakingen dan wel betalingen hebben plaatsgevonden en of al dan niet een notariële akte van schenking is opgesteld. Voldoende is dat als gevolg van een rechtshandeling een vermogensverschuiving plaatsvindt.

Tot slot meent de A-G dat de door het Hof vastgestelde feiten niet uitsluiten dat partijen – in afwijking van de leningovereenkomst – hebben afgesproken de rentetermijn over de maand december op een eerder moment te laten vervallen, nl. op het moment dat de schenking van € 5.000 aan belanghebbende plaatsvond, zodat het gehele over 2009 verschuldigde bedrag aan rente ad € 2.250 met de schenking kon worden verrekend. De Inspecteur heeft in hoger beroep het tegendeel ook niet gesteld. Voor zover de Staatssecretaris erover klaagt dat de termijn van december 2009 niet in aftrek kan komen, faalt die klacht, aangezien zij berust op een novum waarop in cassatie geen acht kan worden geslagen.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.

Conclusie

mr. R.E.C.M. Niessen

Advocaat-Generaal

Conclusie van 10 februari 2015 inzake:

Nr. Hoge Raad: 14/05071

Staatssecretaris van Financiën

Nr. Gerechtshof: 13/01247

Nr. Rechtbank: AWB 13/2280

Derde Kamer B

tegen

Inkomstenbelasting/premie volksverz. 2009

[X]

1 Inleiding

1.1

Aan [X] (hierna: belanghebbende) te [Z] is voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.438. Bij beschikking is € 179 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2

De aanslag IB/PVV en de beschikking heffingsrente zijn na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur van 12 maart 2013 gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 14 november 2013 ongegrond verklaard.1

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). Het Hof heeft belanghebbendes hoger beroep bij uitspraak van 2 september 2014 gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.438 met € 2.250 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.188.2

1.5

De Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft tijdig en op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben afgezien van re- en dupliek.

1.6

Het geschil in cassatie betreft de vraag of de door belanghebbende aan zijn ouders over 2009 verschuldigde rente ter hoogte van € 2.250 aftrekbaar is als eigenwoningrente. De kern van het geschil betreft de vraag of sprake is van op belanghebbende drukkende kosten in de zin van art. 3.110 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

Het Hof heeft de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, als volgt vastgesteld:

2.1

Belanghebbende heeft blijkens een onderhandse overeenkomst van 25 december 2002 een bedrag van € 45.000,- geleend van zijn ouders om het aandeel van zijn voormalige echtgenote [A] in de gezamenlijke woning over te nemen. In artikel 2.1 van deze overeenkomst is bepaald dat belanghebbende over deze geldlening een rente van vijf procent per jaar is verschuldigd, bij achterafbetaling te voldoen. In artikel 2.2 van de overeenkomst is bepaald dat de rente maandelijks moet worden voldaan op de laatste dag van elke maand. Gedurende de periode 2002-2009 is de rente inderdaad maandelijks betaald en niet bijgeschreven op de lening. Vanaf het moment dat belanghebbende in 2009 in financiële problemen is gekomen is de rente niet meer maandelijks overgemaakt, maar bijgeboekt op de geldlening. Van deze bijboekingen wordt een administratie bijgehouden.

2.2

Belanghebbende en zijn broer ontvangen reeds jarenlang – omstreeks 24 december – een schenking van hun ouders van ca. € 5.000. De gemachtigde van belanghebbende informeert jaarlijks de vader van belanghebbende over het bedrag dat in dat jaar belastingvrij aan kinderen mag worden geschonken; de broer van belanghebbende ontvangt dat bedrag steeds in contanten of per bank, belanghebbende ontving dit bedrag ook steeds in contanten of per bank, maar vanaf 2009 wordt de schenking door de gemachtigde ter betaling van de verschuldigde rente verwerkt in de administratie van de geldlening als genoemd onder 2.1 en het restant van de schenking wordt gebruikt voor de sanering van andere schulden die belanghebbende aan zijn ouders heeft.

2.3

Indien de op deze wijze bijgehouden schuld van belanghebbende nog niet (geheel) is afgelost op het moment van overlijden van de ouders van belanghebbende, zal (het restant van) de schuld, worden verrekend met belanghebbendes erfdeel.

Rechtbank Gelderland 14 november 2013 3

2.2

De Rechtbank verklaarde belanghebbendes beroep ongegrond. Volgens de Rechtbank is geen sprake van een schenking in formele zin, maar is de renteschuld tenietgegaan door kwijtschelding van de vordering door de ouders:

4.5

Vast staat dat eiser een geldleningovereenkomst is aangegaan met zijn ouders waarin zij zijn overeengekomen dat eiser een rente van vijf procent per jaar is verschuldigd aan de ouders, bij achterafbetaling te voldoen. In het Besluit van de Staatssecretaris van 10 juni 2010, nr. DGB2010/921, Stcrt. 2010, 8462 (hierna: het Besluit) is in onderdeel 7.4 met betrekking tot de renteaftrek ter zake van een door de ouders ter beschikking gestelde lening aan het kind het volgende vermeld:

“7.4. Lening ouders aan kind

Renteaftrek bij het kind is ook mogelijk als de renteschuld aan de ouders wordt voldaan uit een schenking van de ouders (HR 6 maart 1991, nr. 26 956, BNB 1991/146(…)). Maar renteaftrek bij het kind is echter niet mogelijk als die schenking een kwijtschelding inhoudt (HR 8 juni 1994, nr. 28 569, BNB 1994/238).”

Hieruit volgt dat een rentebetaling die wordt gedaan uit een ontvangen schenking niet in de weg staat aan de aftrekbaarheid van die rentebetalingen. In het onderhavige geval heeft eiser de rentebedragen niet daadwerkelijk overgemaakt aan zijn ouders en hebben zijn ouders ook feitelijk geen bedragen als schenking overgemaakt aan eiser. Ook is er geen notariële akte opgemaakt waarin ten titel van schenking een bedrag is schuldig erkend. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een schenking in formele zin door de ouders aan eiser, maar sprake is van een kwijtschelding van de verschuldigde rentetermijnen (vergelijk Hoge Raad van 8 juni 1994, nr. 28 569, ECLI:NL:HR:1994:ZC5683). De rentebetalingen hebben derhalve niet op eiser gedrukt. Verweerder heeft terecht de in geschil zijnde rentebetalingen niet in mindering gebracht op het inkomen uit werk en woning van eiser.

4.6

Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

4.7

Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2014 4

2.3

Anders dan de Rechtbank achtte het Hof geen kwijtschelding aanwezig, maar een schenking, waarna het Hof belanghebbendes beroep gegrond verklaarde:

4.2

Het Hof is van oordeel dat er, gelet op de onder 2.1 t/m 2.3 genoemde feiten, geen sprake is van enige kwijtschelding door de ouders aan belanghebbende. De door belanghebbende verschuldigde rente wordt zorgvuldig geadministreerd en de jaarlijkse schenking, die belanghebbendes broer in contanten ontvangt, wordt door belanghebbende aangewend om de op de geldlening bijgeboekte bedragen aan te zuiveren. Naar het oordeel van het Hof brengt het feit dat er in de onderhavige situatie geen sprake is van een “kasrondje” niet met zich dat er sprake is van kwijtschelding. Het feit dat er niet jaarlijks een notariële akte van schenking wordt opgemaakt maakt dit niet anders.

4.3

Gelet op het in het Besluit genoemde arrest HR 6 maart 1991, nr. 26.956, ECLI:NL:HR:1991:BH8070 is het op de lening bijgeboekte bedrag ad € 2.250 bij belanghebbende aftrekbaar als hypotheekrente.

3 Het geding in cassatie

3.1

De Staatssecretaris klaagt in cassatie dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat sprake is van aftrekbare eigenwoningrente in de zin van art. 3.110 Wet IB 2001, nu de over 2009 verschuldigde rente door de ouders is kwijtgescholden en (dus) geen sprake is van op belanghebbende drukkende aftrekbare kosten.

3.2

Belanghebbende voert aan dat sprake is van een schenking, en dat hij over het bedrag van de schenking heeft kunnen beschikken door akkoord te gaan met verrekening van de door hem verschuldigde rente.

4 Wetgeving, rechtspraak en literatuur

5 Beoordeling van het middel

6 Conclusie